ECLI:NL:CRVB:2003:AM2958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- A. Beuker-Tilstra
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Weigering om ongeval militair als dienstongeval te erkennen blijft in stand
De zaak betreft een militair die op 9 september 1998 een ongeval kreeg na een inenting tegen tyfus, waarbij hij flauwviel en een schedeltrauma opliep. De militair vorderde dat het ongeval als dienstongeval zou worden erkend, wat door de Staatssecretaris van Defensie werd geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep van de militair gegrond en vernietigde het besluit, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders.
De Raad stelt vast dat de Regeling proces-verbaal van ongeval en rapportage medische aangelegenheden slechts voorschriften bevat voor het opmaken van het proces-verbaal en niet de criteria voor het toekennen van dienstongevallen. De Raad acht het criterium dat de aard van de werkzaamheden als overwegende oorzaak van het ongeval moet gelden, aanvaardbaar en afgeleid van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en de Algemene militaire pensioenwet.
De Raad concludeert dat hoewel de inenting verband houdt met de werkzaamheden, het ongeval zelf het gevolg is van het feit dat de militair tegen het advies in opstond en flauwviel. Gezien zijn eerdere ervaringen met flauwvallen had hij extra voorzichtigheid moeten betrachten. Daarom blijft de weigering om het ongeval als dienstongeval te erkennen in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de militair wordt ongegrond verklaard en de weigering om het ongeval als dienstongeval te erkennen blijft in stand.