ECLI:NL:CRVB:2003:AL7027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.M. van Male
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering Wet inkomensvoorziening kunstenaars wegens voldoende middelen uit erfenis
Appellante vroeg op 8 januari 1999 een uitkering aan op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik). Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij beschikte over een vermogen dat de vermogensgrens voor alleenstaanden overschreed. Dit vermogen betrof een aandeel in een effectendepot waarin een erfenis was gestort.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij feitelijk niet over dit vermogen kon beschikken, omdat de erfgenamen afspraken hadden gemaakt dat het vermogen alleen voor bepaalde doeleinden kon worden gebruikt, zoals financiering van een bedrijfspand en aanschaf van een studio. De Raad stelde vast dat het effectendepot volledig beheerd werd door haar vader, die zelfstandig over het depot kon beschikken, en dat appellante juridisch gezien haar aandeel kon opeisen.
De Raad oordeelde dat appellante redelijkerwijs over haar aandeel in het depot kon beschikken en dat dit vermogen daarom tot haar middelen moest worden gerekend volgens de Algemene bijstandswet. Tevens was onvoldoende aangetoond dat het vermogen als noodzakelijk bedrijfsvermogen kon worden aangemerkt. Daarom was het besluit tot afwijzing van de uitkering terecht en werd de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars is terecht afgewezen wegens voldoende vermogen.