ECLI:NL:CRVB:2003:AI1645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- H.Th. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling benadelingshandeling bij vaststelling fictieve opzegtermijn in WW-uitkering
Appellante was sinds 1989 in dienst bij haar werkgever en kreeg in 1999 verlof met behoud van salaris om ander werk te zoeken. De arbeidsovereenkomst werd op verzoek van de werkgever per 1 april 2000 ontbonden zonder vergoeding. Gedaagde stelde dat er sprake was van een fictieve opzegtermijn tot 1 juni 2000, waardoor de WW-uitkering pas op die datum kon ingaan. Appellante werd beschuldigd van een benadelingshandeling omdat zij niet had verzocht om rekening te houden met de opzegtermijn bij de ontbinding.
De rechtbank handhaafde het besluit van gedaagde, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het beleid van gedaagde te ongenuanceerd was en dat het enkel nalaten van een verzoek aan de kantonrechter niet automatisch een benadelingshandeling oplevert. De Raad overwoog dat de mogelijkheden om de kantonrechter te beïnvloeden beperkt zijn en dat afspraken tussen partijen, ook als deze afwijken van de kantonrechtersformule, vaak worden gerespecteerd.
Uiteindelijk concludeerde de Raad dat appellante's opstelling niet als benadelingshandeling kan worden beschouwd en vernietigde het bestreden besluit. Gedaagde moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan het Uwv een nieuw besluit te nemen.