ECLI:NL:CRVB:2003:AI1356
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- H.Th. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens doorlopende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
Appellante, werkzaam als docente, had meerdere arbeidsovereenkomsten met haar werkgever, waarvan de Raad oordeelde dat de overeenkomst vanaf 1 januari 1999 als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moet worden beschouwd. Gedaagde, het UWV, had de WW-uitkering geweigerd omdat appellante niet als werkloos in de zin van de WW werd beschouwd en recht had op doorbetaling van loon.
De rechtbank had het standpunt van het UWV bevestigd en verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de contracten uit 1998 als één overeenkomst moesten worden gezien en dat er geen contract voor onbepaalde tijd was. De Raad vond deze argumenten niet nieuw en onderschreef de eerdere beoordeling.
De Raad concludeerde dat de arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 1999 als een contract voor onbepaalde tijd geldt op grond van artikel 7:668a BW, omdat er sprake was van ten minste vier opvolgende contracten. Hierdoor had appellante geen recht op WW-uitkering maar op loonbetaling. De subsidiaire grond werd niet behandeld omdat de primaire grond voldoende was.
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd en het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat de arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 1999 als een contract voor onbepaalde tijd geldt.