ECLI:NL:CRVB:2003:AF7480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.G.M. Simons
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging nabestaandenuitkering wegens feitelijke gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme tip dat zij samenwoonde met betrokkene, stelde de Sociale Verzekeringsbank een onderzoek in. Uit verklaringen en een checklist van augustus en september 1999 bleek dat appellante en betrokkene sinds januari 1999 feitelijk samenwoonden, afwisselend in elkaars woningen, gezamenlijk de maaltijden gebruikten, boodschappen deden en zorg droegen voor elkaar.
De rechtbank Roermond verklaarde het beroep van appellante tegen de beëindiging van de uitkering ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning ook kan gelden bij feitelijke samenwoning ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimtes. Daarnaast is het criterium van wederzijdse verzorging voldoende vervuld.
De Raad baseert zich op vaste rechtspraak en het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2001. De verklaring van appellante is niet onder ongeoorloofde druk afgelegd. Gezien de feiten en omstandigheden is de beëindiging van de nabestaandenuitkering per 1 februari 1999 terecht. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering per 1 februari 1999 wegens feitelijke gezamenlijke huishouding.