ECLI:NL:CRVB:2002:AH9809
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aflossing schuld bij bijstand op grond van Algemene bijstandswet
Appellant, eigenaar van twee bedrijven die failliet gingen, ontving bijstand in de vorm van een rentedragende lening van de gemeente. Vanwege niet-naleving van aflossingsverplichtingen werd een bedrag ineens vastgesteld dat appellant moest terugbetalen. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures over de hoogte van de aflossingen, waarbij met name de vraag speelde of pensioenstortingen en ziektekostenpremies in mindering mochten worden gebracht, werd de zaak voorgelegd aan de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de pensioenstortingen van appellant niet als verplichte bijdragen in de zin van de Algemene bijstandswet konden worden aangemerkt en daarom niet in mindering konden worden gebracht op de aflossingsverplichting. Daarnaast werd geoordeeld dat appellant zelf verantwoordelijk was voor het tijdig reageren op de hoorzitting, ondanks zijn vakantie, en dat er geen schending was van de hoorplicht.
De Raad bevestigde daarmee het eerdere oordeel van de rechtbank en verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van 1 mei 2001 ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien om appellant te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit van 1 mei 2001 wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.