ECLI:NL:CRVB:2002:AF7269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toepassing van gewijzigde bepalingen in de Werkloosheidswet op lopende uitkeringen
In deze zaak staat centraal de vraag of een wetswijziging in artikel 43 lid 2 van Pro de Werkloosheidswet (WW), die per 1 januari 1999 in werking trad, ook van toepassing is op een WW-uitkering die reeds voor die datum was ontstaan en tijdens de looptijd werd beïnvloed door een periode van ziekte-uitkering. De betrokkene had een loongerelateerde WW-uitkering die door ziekte werd onderbroken, waarna de duur van de uitkering werd verlengd op grond van de gewijzigde wet.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de gewijzigde bepaling, die het ontvangen van ziekte-uitkering wegens zwangerschap en bevalling buiten beschouwing laat bij de berekening van de duur van de WW-uitkering, ook van toepassing is op lopende uitkeringen. De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan en benadrukt het beginsel van onmiddellijke werking van nieuwe regelingen, zoals neergelegd in de Bekendmakingswet en de Notitie Overgangsrecht.
De Raad wijst het hoger beroep van betrokkene af omdat zij geen belang meer heeft bij het beroep na de vernietiging van het eerdere besluit. Tevens veroordeelt de Raad het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. De uitspraak bevestigt de toepassing van de wetswijziging op lopende rechten en onderstreept het belang van het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel in het bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit bevestigd.