ECLI:NL:CRVB:2002:AF4349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- W.M. Levelt-Overmars
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld na 19 augustus 1999 niet rechtsgeldig wegens strijd met rechtszekerheidsbeginsel
Appellant werd op 16 februari 1998 arbeidsongeschikt gemeld vanwege knie-, maag- en psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Gedaagde weigerde ziekengeld vanaf 3 juni 1999, wat later werd herzien naar 15 juli 1999. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de weigering van ziekengeld gegrond en bepaalde dat het ziekengeld pas per 19 augustus 1999 mocht worden beëindigd, omdat appellant niet eerder van de beëindiging op de hoogte was gesteld.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen, maar de Raad stelde vast dat de medische gegevens en het belastbaarheidsprofiel van januari 1999 voldoende waren en geen aanwijzingen gaven voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigde dat de belastbaarheid niet was overschat.
Ten aanzien van de beëindiging van het ziekengeld oordeelde de Raad dat de rechtbank onvoldoende medische toetsing had verricht voor de datum 19 augustus 1999 en dat het besluit tot beëindiging met terugwerkende kracht per 15 juli 1999 in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarom vernietigde de Raad dit besluit en bepaalde dat het ziekengeld pas per 19 augustus 1999 mag worden beëindigd.
De Raad veroordeelde gedaagde tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het ziekengeld wordt met ingang van 19 augustus 1999 beëindigd en het eerdere besluit tot beëindiging per 15 juli 1999 wordt vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.