ECLI:NL:CRVB:2002:AF2954

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/4668 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArtikel 7 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
Verwijzingen
6 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen AWBZ-verzekering en premieheffing

Gedaagde ontvangt een AOW-uitkering en kreeg in juni 1999 een brief van de Sociale Verzekeringsbank waarin werd medegedeeld dat hij vanaf januari 1999 verzekerd is voor de AWBZ en dat premie zal worden ingehouden op zijn AOW-pensioen. Gedaagde maakte bezwaar tegen deze mededeling, maar dit werd door appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens appellant geen sprake was van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro.

De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat de brief wel een besluit is dat gedaagde rechtstreeks in zijn belang treft en verklaarde het bezwaar gegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad overwoog dat de brief van juni 1999 een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan is die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt, gericht op rechtsgevolg, namelijk de verzekering van gedaagde voor de AWBZ en de premieheffing. Het feit dat de belastingdienst uiteindelijk beslist over de verzekeringsplicht doet hieraan niet af. Daarom is het hoger beroep ongegrond en wordt het vonnis van de rechtbank bevestigd.

De Raad veroordeelde appellant tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde en legde een recht op aan appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

00/4668 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats] (België), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 4 oktober 1999 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen een brief betreffende de verzekering ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 29 juli 2000 het beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepaald dat appellant het griffierecht aan gedaagde vergoedt.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Namens gedaagde heeft mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Woerden, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 november 2002. Namens appellant is daar verschenen G.C. van Spanning, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, en gedaagde is, zoals was aangekondigd, niet verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde ontvangt van appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). In juni 1999 heeft appellant een mailing verzonden betreffende de AWBZ-premie. Hierin staat onder meer het volgende vermeld:
"Door een wetswijziging bent u vanaf januari 1999 verzekerd voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). (...) Omdat u verzekerd bent voor de AWBZ, moet u ook premie betalen.
Wij houden met ingang van juli 1999 AWBZ-premie in op uw AOW of Anw."
Het bezwaar van gedaagde tegen deze mededeling is niet-ontvankelijk verklaard bij het bestreden besluit van 4 oktober 1999 omdat er naar het oordeel van appellant geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft overwogen dat appellant impliciet als zijn oordeel heeft uitgesproken dat het bepaalde in artikel 7 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, Stb. 1998, 746 op gedaagde van toepassing is en dat dit oordeel gericht is op rechtsgevolg, te weten de vaststelling dat gedaagde verzekerd is voor de AWBZ. Met dit oordeel is gedaagde rechtstreeks in zijn belang getroffen. Het bezwaar van gedaagde is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het (uiteindelijke) oordeel omtrent de verzekeringsplicht ingevolge de AWBZ bij de belastingdienst berust. Volgens appellant kan een impliciete mededeling van een niet tot oordelen bevoegd orgaan niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat de brief van juni 1999 niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb kan worden aangemerkt.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dient onder een besluit te worden verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Naar het oordeel van de Raad kan de stellige mededeling van appellant in de brief van juni 1999 niet anders worden gekwalificeerd dan als één die ontegenzeggelijk is gericht op rechtsgevolg, te weten het feit dat gedaagde verzekerd is ingevolge de AWBZ en dat hij premie verschuldigd is, die zal worden ingehouden op zijn AOW-pensioen.
Het enkele feit dat de belastingdienst het orgaan zou zijn dat uiteindelijk beslist omtrent de verzekeringsplicht en de verschuldigdheid van premie maakt dat niet anders, nu hiervan uit de brief van juni 1999 niet blijkt.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Appellant zal worden veroordeeld tot betaling van de kosten die gedaagde in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken en van appellant zal een recht worden geheven.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde, begroot op € 322,-;
Bepaalt dat van appellant een recht wordt geheven van € 327,-.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 december 2002.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.