ECLI:NL:CRVB:2002:AE4574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. 't Hooft
- R.M. van Male
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging vervoerskostenvergoeding wegens onvoldoende rekening houden met bijzondere omstandigheden
Appellante ontving sinds 1994 een vervoerskostenvergoeding voor deelname aan het maatschappelijke verkeer. In 1997 werd deze vergoeding verhoogd en toegekend aan haar en haar echtgenoot. Gedaagde beëindigde in 1999 deze vergoeding per 1 januari 2000, stellende dat appellante gebruik kan maken van het collectief vervoer. Appellante betwist dit, omdat zij alleen onder begeleiding kan reizen en haar echtgenoot vanwege medische beperkingen niet kan begeleiden.
De Raad constateert dat appellante lijdt aan een neurologische en psychiatrische aandoening en dat haar echtgenoot ernstige cardiale en longaandoeningen heeft. Het collectief vervoer voorziet niet in de bijzondere vervoersbehoefte, zoals het bezoeken van familie in Duitsland en de noodzaak van begeleiding. De Raad oordeelt dat het besluit niet voldoet aan het vereiste dat voorzieningen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de eerdere uitspraak die het in stand hield. Gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de omstandigheden. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de vervoerskostenvergoeding wordt vernietigd en gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen rekening houdend met de bijzondere omstandigheden.