ECLI:NL:CRVB:2001:BJ7823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.C.F. Talman
- M.M. van der Kade
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag penitentiair inrichtingswerker wegens ontucht en mishandeling
Appellant, werkzaam als penitentiair inrichtingswerker, werd onvoorwaardelijk ontslagen wegens plichtsverzuim bestaande uit ontucht met meisjes jonger dan 16 jaar en herhaalde mishandeling van zijn ex-echtgenote. Hoewel hij in de strafrechtelijke procedure voor ontucht werd vrijgesproken, stelde de Raad vast dat zijn gedragingen niet passend waren voor zijn functie en derhalve plichtsverzuim vormden.
Appellant voerde aan dat zijn psychische gesteldheid hem het besef van de ernst van zijn gedragingen ontzegde en dat gedaagde onvoldoende onderzoek had verricht. De Raad verwierp deze stellingen, mede omdat het ontslagbesluit was gebaseerd op eigen verklaringen van appellant die hij in het disciplinair onderzoek had bevestigd.
De Raad oordeelde dat het ontslag niet onevenredig was gezien de ernst van de gedragingen en de functie van appellant, waarin beheerst optreden onder moeilijke omstandigheden vereist is. Ook het feit dat appellant na de aangifte nog enige maanden in functie bleef, leidde niet tot een ander oordeel. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees toepassing van artikel 8:75 Awb Pro af.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijke ontslag van appellant wordt bevestigd wegens plichtsverzuim bestaande uit ontucht met minderjarigen en herhaalde mishandeling.