ECLI:NL:CRVB:2001:AD7123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.M. van Male
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over verstrekking algemene bijstand als geldlening
Appellante ontving sinds 1 maart 1996 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) voor een alleenstaande ouder. Zij verzocht om haar uitkering op een rekening van haar dochter te storten vanwege een negatief saldo op haar eigen rekening. De gemeente Rotterdam keerde de uitkering echter op haar eigen rekening uit en verklaarde het bezwaarschrift ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de bijstand terecht als leenbijstand was verstrekt.
Appellante ging in hoger beroep en stelde dat het bedrag van f 1.397,60 algemene bijstand betrof die om niet verstrekt moest worden. De Raad stelde vast dat het hier inderdaad algemene bijstand betrof, bestemd voor de noodzakelijke kosten van het bestaan van het gezin, en dat artikel 39 Abw Pro niet van toepassing was. Volgens artikel 19 Abw Pro moet bijstand om niet worden verleend, tenzij anders bepaald, en geen van de uitzonderingen was van toepassing.
De Raad vernietigde het besluit en bepaalde dat de bijstand om niet moet worden verleend. Tevens veroordeelde de Raad de gemeente Rotterdam in de proceskosten van appellante en gelastte vergoeding van de betaalde griffierechten. De Raad wees erop dat terugvordering van de bijstand nog door de gemeente kan worden beslist volgens de regels in hoofdstuk VI van de Abw.
Uitkomst: De bijstand wordt om niet verstrekt en het besluit waarbij deze als geldlening werd toegekend wordt vernietigd.