ECLI:NL:CRVB:2001:AD3773
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging bijstandsuitkering wegens onvolledige inzage bankafschriften
Appellant ontvangt sinds 1986 een bijstandsuitkering. In 1996 werd zijn uitkering opgeschort omdat hij niet alle gevraagde bank- en giroafschriften over drie maanden volledig had verstrekt. Hij overhandigde afschriften waarop uitgaven onleesbaar waren gemaakt, omdat hij vond dat de sociale dienst daar geen recht op had. Het college beëindigde daarop de uitkering per 1 september 1996.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het verzoek om inzage gerechtvaardigd was op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het college onvoldoende concrete, op appellant betrekking hebbende redenen heeft gegeven voor het verlangen van volledige inzage in de uitgavenposten. Het algemene standpunt van het college is onvoldoende om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer te rechtvaardigen.
De Raad benadrukt dat het onleesbaar maken van uitgavenposten door de cliënt gerespecteerd moet worden, tenzij er gegronde redenen zijn, zoals vermoeden van fraude. Het besluit tot beëindiging van de uitkering is daarom onrechtmatig en wordt vernietigd. Het college moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering wegens weigering volledige inzage in bankafschriften wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.