ECLI:NL:CRVB:2001:AB0931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.H. van Kreveld
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid en toepassing artikel 4:6 Awb bij weigering terugkomen op WAO-uitkeringsbesluit
In deze zaak staat centraal de vraag of appellant bevoegd was om het verzoek van gedaagde om terug te komen op het besluit van 11 mei 1983, waarbij een WAO-vervangende uitkering werd beëindigd, te weigeren op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Gedaagde voerde aan dat het besluit van 1983 geen formele rechtskracht had en dat een medische verklaring uit 1995 een nieuw feit vormde dat heroverweging rechtvaardigde. De Raad oordeelde dat voor toepassing van artikel 4:6 Awb Pro enkel vereist is dat er een eerder afwijzend besluit is, ongeacht formele rechtskracht. De medische verklaring werd niet als nieuw feit erkend, maar als een andere zienswijze over reeds bekende feiten.
De Raad stelde dat het bestuursorgaan niet verplicht is om op basis van een ongemotiveerde medische verklaring uit het verleden een nieuw specialistisch onderzoek te initiëren. De weigering van appellant om terug te komen op het besluit van 1983 is daarmee gerechtvaardigd en kan de terughoudende toetsing door de Raad doorstaan.
De uitspraak van de rechtbank, die het verzoek van gedaagde gegrond had verklaard, werd vernietigd voor zover het de weigering betrof. Het hoger beroep van appellant werd gegrond verklaard en het besluit van 8 februari 1996 om de weigering te handhaven werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit van 11 mei 1983 wordt afgewezen omdat geen nieuw feit is aangetoond.