ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8043

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 1998
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
95/4335 AAW/WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WAOArt. 8:75 AwbArt. 24 BeroepswetArt. 25 lid 1 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling geschiktheid maatmanarbeid en toekenning AAW/WAO-uitkering

Appellant was werkzaam in een combinatie van functies, waarvan één buiten de WAO-verzekering viel. De Raad bevestigt dat voor de WAO alleen de functie binnen de verzekering (maatmanarbeid) relevant is. De rechtbank had ten onrechte aangenomen dat appellant de wachttijd niet had voltooid, terwijl deze wel was vervuld.

De Raad oordeelt dat appellant op de datum in geding geschikt was om zijn maatmanarbeid te verrichten, ondanks dat hij zijn oude functie niet meer kon hervatten. Dit leidt tot de bevestiging van de weigering van de WAO-uitkering.

Voor de AAW-uitkering geldt dat de maatmanarbeid de combinatie van functies betreft. De Raad stelt vast dat gedaagde een onjuiste methode gebruikte om de resterende verdiencapaciteit vast te stellen, namelijk een mengvorm van twee erkende methoden. Hierdoor is de weigering van de AAW-uitkering onvoldoende gemotiveerd en dient deze vernietigd te worden.

De Raad beveelt dat gedaagde een nieuw besluit neemt over de AAW-uitkering met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten en dient het gestorte griffierecht aan appellant te worden vergoed.

Uitkomst: Weigering WAO-uitkering bevestigd, weigering AAW-uitkering vernietigd en nieuw besluit bevolen.

Uitspraak

95/4335 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de
Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt
het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats
van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is
het Lisv in de plaats getreden van de Grafische
Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens
verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Namens appellant is mr M.M.W.C. Slots-Schrijen, werkzaam bij de
FNV Rechtskundige Dienst, op bij beroepschrift aangegeven gronden
in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te Maastricht
onder dagtekening 16 mei 1995 tussen partijen gegeven uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 21 augustus 1995 heeft mr M.J. Klinkert, advocaat
te Utrecht, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.
Mr Klinkert heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en daarbij nadere
stukken overgelegd.
Bij brief van 5 november 1996 heeft N.J.G. Kessels, bedrijfsarts
RBB-Abp/USZO, desgevraagd informatie omtrent appellant verstrekt.
Desgevraagd heeft de neuroloog dr J.J. Korten onder dagtekening
15 januari 1997 van verslag en advies gediend.
Op 15 december 1997 heeft mr Klinkert de Raad bericht niet meer
als gemachtigde van appellant op te treden.
Appellant heeft een vraag beantwoord en een nader stuk in geding
gebracht.
Mr P.H.H.J. Krijnen te Klimmen heeft als opvolgend gemachtigde
van appellant appellants standpunt nader toegelicht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 mei 1998,
waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr H.J. Huntjens, werkzaam bij Gak
Nederland B.V.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is
gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband
waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Vervolgens hebben partijen desgevraagd toestemming gegeven de
behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te
laten.
II. MOTIVERING
Appellant was in een voltijdse betrekking werkzaam bij het X.
(X.) en verrichtte daarnaast gedurende twee uren per avond/nacht
werkzaamheden op de expeditie van het Y. (Y.), toen hij op 24
oktober 1988 zijn werkzaamheden in verband met rugklachten moest
staken.
Bij het bestreden besluit van 7 juni 1994 heeft gedaagde
geweigerd aan appellant uitkeringen ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder
overweging dat appellant na afloop van de zogeheten wachttijd op
5 november 1989 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.
De Raad overweegt daaromtrent het volgende.
Appellant was voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid
werkzaam in een combinatie van een buiten de WAO-verzekering
vallende functie (bij het X.) met een functie waarvoor wel
zodanige verzekering bestaat (zijn werkzaamheden bij het Y.). In
een dergelijk geval dient, volgens vaste jurisprudentie, voor de
toepassing van de WAO voor de bepaling van de maatman en het
maatmaninkomen niet te worden uitgegaan van de combinatie van
functies, maar uitsluitend van de functie waarvoor een
WAO-verzekering bestaat.
Zowel gedaagde als de rechtbank hebben derhalve voor de
toepassing van de WAO terecht appellants werkzaamheden bij het
Y. als zijn maatmanarbeid aangemerkt.
De rechtbank heeft voor de beoordeling van appellants aanspraken
ingevolge de WAO ten onrechte overwogen dat appellant de
wachttijd niet heeft volgemaakt, nu hij na 9 juli 1989 hersteld
is verklaard voor zijn werkzaamheden bij het Y. De rechtbank ziet
er daarbij aan voorbij dat het ontvangen van ziekengeld geen
voorwaarde is voor het volbrengen van de wachttijd en dat de
wachttijd ook kan worden volgemaakt door samentelling van
perioden van arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in het tweede
lid van artikel 19 van Pro de WAO.
De Raad wijst er voorts op dat gedaagde er in het bestreden
besluit zelf van uit gaat dat appellant de wachttijd heeft
vervuld.
Aan de weigering van WAO door gedaagde ligt ten grondslag dat
appellant op de in geding zijnde datum geschikt was om zijn
maatmanarbeid te verrichten.
De Raad acht dit uitgangspunt van gedaagde juist.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad rechtvaardigt
geschiktheid voor de maatmanarbeid in beginsel de
vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid
tenzij hervatting in de oude functie niet mogelijk is en zich in
het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de
juistheid van die vooronderstelling aantasten.
De rapportage die de neuroloog Korten op 15 januari 1997 op
verzoek van de Raad omtrent appellant heeft uitgebracht, biedt
de Raad voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat
appellant op de in geding zijnde datum, rekening houdend met de
werkzaamheden bij het X. gedurende 6 uren per dag die hij op dat
moment uitoefende, zijn eigen werk bij het Y. kon verrichten.
Van een uitzondering op de regel dat geschiktheid voor de
maatmanarbeid met zich meebrengt dat geen sprake is van
arbeidsongeschiktheid, is in het onderhavige geval geen sprake.
Weliswaar was die arbeid voor appellant niet beschikbaar doordat
hij per 1 oktober 1989 ontslag had genomen, maar dezelfde functie
was nog op de arbeidsmarkt aanwijsbaar, namelijk appellants oude
functie bij het Y.
Nu op de in geding zijnde datum bij appellant geen sprake was van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, komt de Raad tot het
oordeel dat gedaagde appellant terecht een uitkering ingevolge
die wet heeft geweigerd.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd voorzover daarbij de weigering van een uitkering
ingevolge de WAO in stand is gelaten.
Voor de beoordeling van de aanspraken van appellant ingevolge de
AAW dient als maatmanarbeid te worden aangemerkt de combinatie
van functies die appellant vóór het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid vervulde.
Partijen zijn het erover eens dat appellant op de in geding
zijnde datum niet in staat was die maatmanarbeid in zijn volle
omvang te verrichten.
De weigering van een AAW-uitkering bij het bestreden besluit
berust op de grond dat appellant op de in geding zijnde datum in
staat was de door hem op die datum feitelijk gedurende zes uren
per dag bij het X. verrichte werkzaamheden te combineren met zijn
arbeid bij het Y.
In een geval als het onderhavige, waarin het erom gaat de mate
van arbeidsongeschiktheid vast te stellen van een verzekerde die
niet geschikt wordt geacht zijn maatgevende werkzaamheden ten
volle te verrichten, werd ten tijde hier van belang door de
bedrijfsverenigingen één van beide, in 's Raads jurisprudentie
aanvaarde, hierna kort weergegeven methoden gehanteerd ter
bepaling van de resterende verdiencapaciteit van betrokkene:
- of deze werd bepaald op hetgeen betrokkene met de door hem
verrichte werkzaamheden feitelijk verdiende (indien althans die
verdiensten een juiste afspiegeling van zijn resterende
verdiencapaciteit vormden);
- of deze werd bepaald op hetgeen de betrokkene theoretisch met
passende functies in loondienst kan verdienen.
De Raad stelt vast dat gedaagde in het geval van appellant - en
zulks naar het oordeel van de Raad ten onrechte - niet één van
deze beide methoden, maar een soort mengvorm daarvan heeft
toegepast.
Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, was appellant sedert 1
oktober 1989 niet meer in dienst bij het Y., zodat voor hem op
de datum in geding, 5 november 1989, niet de mogelijkheid bestond
om zijn eigen werk als medewerker op de expeditie bij dit bedrijf
te hervatten. Nu appellant deze voor hem passend geachte
werkzaamheden naast zijn feitelijk gedurende zes uren per dag bij
het X. verrichte werkzaamheden niet kon gaan vervullen - en
derhalve ter bepaling van zijn resterende verdiencapaciteit niet
kon worden uitgegaan van door hem feitelijk bij het Y. genoten
inkomsten - had gedaagde volgens de hierboven als tweede gegeven
regel appellants resterende verdiencapaciteit dienen vast te
stellen aan de hand van hetgeen hij in een voldoende aantal
concrete (combinaties van) passende functies op de datum in
geding nog kon verdienen.
De door gedaagde gevolgde methode, die erop neerkomt dat de
schatting is gebaseerd op slechts één combinatie van passende
functies, biedt in het licht van 's Raads jurisprudentie een
ontoereikende basis voor de bepaling van de mate van appellants
arbeidsongeschiktheid, in verband waarmee de weigering van een
AAW-uitkering aan appellant als onvoldoende gemotiveerd dient te
worden vernietigd.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de weigering van
AAW-uitkering bij het bestreden besluit moet worden vernietigd,
evenals de aangevallen uitspraak voorzover daarbij dat deel van
het bestreden besluit in stand is gelaten.
Gedaagde dient ter zake van appellants aanspraken ingevolge de
AAW op de datum in geding een nader besluit te nemen met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze
kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand
in eerste aanleg en f 710,- voor verleende rechtsbijstand in
hoger beroep.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde
in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de
Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste
aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde
dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij de
weigering van een uitkering ingevolge de AAW in stand is gelaten,
alsmede het bestreden besluit in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Verstaat dat gedaagde met betrekking tot appellants aanspraken
ingevolge de AAW een nader besluit zal nemen met inachtneming van
deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste
aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep tot een
bedrag groot f 710,- ;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van
f 200,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en mr M.M. van
der Kade en mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van
B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22
december 1998.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B.C. Rog.
IS