ECLI:NL:CRVB:1998:AA8766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.A. Hoogeveen
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van resterende verdiencapaciteit bij intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
Appellant, voormalig ondergronds schiet-meester in de Belgische mijnindustrie, ontving uitkeringen op grond van de AAW en WAO wegens arbeidsongeschiktheid. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) trok deze uitkeringen per 1 juni 1995 in, omdat de arbeidsongeschiktheid volgens hen was gedaald tot onder de 25% respectievelijk 15%.
In hoger beroep stond de arbeidskundige grondslag van dit besluit centraal. De Raad stelde vast dat op basis van het Functie Informatie Systeem (FIS) zeven functies waren geselecteerd die binnen de belastbaarheid van appellant vielen. De discussie betrof onder meer het aantal arbeidsplaatsen dat bepaalde functies vertegenwoordigen en de loonwaarde van deze functies, inclusief de vraag of toeslagen zoals ploegentoeslag en eindejaarsuitkering in aanmerking mochten worden genomen.
De Raad oordeelde dat functies met minder dan zeven arbeidsplaatsen buiten beschouwing mochten blijven, maar dat voldoende andere functies met voldoende arbeidsplaatsen overbleven. Daarnaast mocht rekening worden gehouden met algemeen geaccepteerde toeslagen, waaronder ploegentoeslag, mits deze ook in het maatmaninkomen waren verwerkt. De loonwaarde van de geselecteerde functies resulteerde in een resterende verdiencapaciteit van 11,99%, wat onder de grens lag voor het voortzetten van de uitkeringen.
De Raad concludeerde dat het besluit tot intrekking van de uitkeringen terecht was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd op 25 augustus 1998 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen per 1 juni 1995 wegens een resterende verdiencapaciteit van minder dan 15%.