ECLI:NL:CBB:2026:77
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dwangsom bij niet-ontvankelijkheid ingebrekestelling per e-mail
De intermediair, een Belgische onderneming die mest vervoert, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het beroep tegen de vastgestelde dwangsom ongegrond werd verklaard. De kern van het geschil betrof de vraag of een ingebrekestelling per e-mail rechtsgeldig is en vanaf welke datum de dwangsom verschuldigd is.
De minister had de ingebrekestelling per e-mail niet in behandeling genomen omdat volgens de regelgeving alleen schriftelijke of digitale formulierinzendingen rechtsgeldig zijn. De intermediair had aangekondigd de ingebrekestelling ook per post te versturen, welke datum door de minister als ontvangstdatum werd gehanteerd. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de e-mail niet als ingebrekestelling accepteerde en dat de intermediair geen herstelmogelijkheid hoefde te worden geboden.
In hoger beroep herhaalde de intermediair haar standpunten, maar het College vond geen aanleiding om de overwegingen van de rechtbank te wijzigen. Het College benadrukte dat de elektronische weg per e-mail niet is opengesteld voor ingebrekestellingen en dat de minister de dwangsom terecht heeft vastgesteld over de periode vanaf de ontvangst per post. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de dwangsom is terecht vastgesteld vanaf de ontvangst van de ingebrekestelling per post.