ECLI:NL:CBB:2026:334

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
24/905
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 6 EVRMArtikel 1 LbvArtikel 4, eerste lid, LbvArtikel 6, eerste lid, Lbv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit subsidie Landelijke beëindigingsregeling veehouderij wegens gewijzigde grondslag en afwijzing op nieuwe gronden

De vennootschap vroeg subsidie aan op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) voor een locatie in een gemeente. De minister wees de aanvraag aanvankelijk af omdat de vennootschap de drempelwaarde van stikstofdepositie niet haalde volgens de AERIUS Check, gebaseerd op het referentiejaar 2021. De vennootschap stelde dat 2021 niet representatief was en wilde dat gekeken werd naar 2019 of 2020.

In het beroepschrift wijzigde de minister zijn standpunt en liet de oorspronkelijke afwijzingsgrond vallen, maar stelde nieuwe gronden voor afwijzing voor: de vennootschap is geen veehouder in de zin van de regeling en de stal heeft ruim negen maanden leeggestaan. Het College oordeelde dat het bestreden besluit daardoor een ondeugdelijke motivering had en vernietigde het besluit.

Het College liet echter de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de nieuwe afwijzingsgronden terecht waren. De vennootschap bracht geen tegenbewijs en had voldoende gelegenheid gehad om de gewijzigde motivering te weerleggen. Daarnaast veroordeelde het College de minister in de proceskosten en kende de vennootschap een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege nieuwe afwijzingsgronden.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/905

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] (vennootschap)

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels)
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

Procesverloop in beroep

De vennootschap heeft tegen het besluit van 16 september 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 22 juni 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Voor de vennootschap was tevens aanwezig [naam 2] .
De vennootschap heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College heeft daarom de Staat als partij aangemerkt.

Inleiding

1.1
De vennootschap heeft op 29 november 2023 subsidie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) aangevraagd voor de veehouderijlocatie in [plaats] (gemeente [naam 3] ). Bij de aanvraag heeft de vennootschap opgegeven dat de totale depositievracht voor de Lbv, berekend volgens de AERIUS Check, 112 mol N/jaar bedraagt. Het referentiejaar is 2021.
1.2
Met het besluit van 29 april 2024, zoals na bezwaar gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat de vennootschap de drempelwaarde voor de Lbv van 100 mol N/jaar niet heeft gehaald. Volgens de berekening van de minister, berekend volgens de AERIUS Check, bedraagt de totale depositievracht niet meer dan 29 mol N/jaar. De minister ziet geen aanleiding om uit te gaan van een ander referentiejaar dan 2021. De reden voor een lager gemiddeld aantal dieren op de locatie in 2021 is geen dierziekte geweest, maar komt doordat de vennootschap de stal in 2021 heeft gekocht. Het uitbreiden van het bedrijf en de daarbij eventuele nadelige gevolgen behoren tot het bedrijfsrisico en blijven voor rekening van het bedrijf. De minister is verder ook niet gebleken van bijzondere omstandigheden. Daarom bestaat geen mogelijkheid om te kijken naar de jaren 2019 en 2020.
1.3
Volgens de vennootschap is de situatie in 2021 niet representatief voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren en moet de minister daarom uitgaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in 2019 of 2020.
1.4
In zijn verweerschrift heeft de minister het in het bestreden besluit ingenomen standpunt verlaten en handhaaft hij niet langer de in dat besluit gehanteerde weigeringsgrond. Dit leidt volgens de minister echter niet tot toekenning van subsidie, omdat de vennootschap geen veehouder in de zin van de Lbv is en de melkveestal bovendien voorafgaand aan het indienen van de aanvraag ruim negen maanden heeft leeggestaan. De minister heeft daarom verzocht om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Wettelijk kader

2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het beroep

3 Doordat de minister in het verweerschrift afstand heeft gedaan van de motivering die hij aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, ontbeert dat besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een deugdelijke motivering. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
4 De minister vraagt de rechtsgevolgen in stand te laten op grond van twee nieuwe afwijzingsgronden. Volgens de minister is niet voldaan aan de voorwaarden dat de veehouder daadwerkelijk een veehouderij op de veehouderijlocatie dient te drijven en dat de productiecapaciteit in de laatste vijf jaar voor indiening van de aanvraag onafgebroken is gebruikt. De minister heeft geconstateerd dat op de locatie waarvoor subsidie is aangevraagd twee UBN-nummers zijn geregistreerd: UBN [nummer 1] en UBN [nummer 2] . UBN [nummer 1] is de UBN uit de aanvraag. Dit UBN-nummer is op 17 juli 2021 overgedragen aan een ander landbouwbedrijf. Dit bedrijf heeft tot 18 februari 2023 melkvee op de locatie gehouden. Op 1 maart 2023 is het UBN-nummer overgegaan naar de vennootschap, maar die heeft geen dieren gehouden op de locatie. UBN [nummer 2] is op 1 maart 2021 overgedragen aan een dochteronderneming van de vennootschap en een maand later aan een andere dochteronderneming van de vennootschap. De laatste dieren van dit UBN-nummer waren voor deze overdrachten al afgevoerd. Door de dochterondernemingen zijn geen dieren gehouden op de locatie. De locatie heeft dus vanaf 18 februari 2023 tot aan de aanvraagdatum ruim negen maanden leeg gestaan. Het feit dat de vennootschap geen productierechten (fosfaatrechten) op haar naam heeft staan, de afgelopen jaren zelf geen Gecombineerde Opgaven heeft ingediend en de activiteitenomschrijving van de vennootschap in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel luidt: “Beheer- en financieringsmaatschappij alsmede het verlenen van managementdiensten”, bevestigt volgens minister dat de vennootschap zelf geen dieren heeft gehouden en dus geen veehouder in de zin van de Regeling is.
5 De vennootschap heeft hiertegen niets ingebracht. Op de zitting heeft [naam 2] verklaard dat er koeien in de stal hebben gestaan en dat hij ervan was uitgegaan dat die van de vennootschap waren. Dat blijkt echter, gelet op de constateringen van de minister, niet juist te zijn. De vennootschap heeft zich op het standpunt gesteld dat nu de grondslag van het besluit is gewijzigd, de zaak terug moet naar de bezwaarfase. Het College ziet hiervoor echter geen aanleiding. Het verweerschrift met de gewijzigde motivering is op 29 april 2026, dus ruimschoots voor de datum van de behandeling op de zitting, ingediend. De vennootschap heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad om deze motivering te weerleggen, dan wel om uitstel te verzoeken als daarvoor meer tijd nodig was. De vennootschap heeft dit niet gedaan en ook op de zitting niet uitgelegd waarom een nieuwe ronde in bezwaar nodig is. De vennootschap heeft evenmin bewijsmiddelen aangedragen of aangekondigd, op grond waarvan kan worden getwijfeld aan de constateringen van de minister.
6 Het College oordeelt dat de minister de aanvraag terecht, zij het op andere afwijzingsgronden dan in het besluit van 29 april 2024, heeft afgewezen. Het College ziet hierin aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
7 Het College veroordeelt de minister in de door de vennootschap gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij het College; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).
8 Het College zal de minister daarnaast opdragen het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 371,- aan de vennootschap te vergoeden.
Overschrijding van de redelijke termijn
9.1
Over het verzoek van de vennootschap om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), overweegt het College het volgende. In deze zaak geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn maximaal twee jaar is. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door de minister is ontvangen en loopt tot de datum waarop het College uitspraak heeft gedaan.
9.2
Het bezwaarschrift van de vennootschap is op 28 mei 2024 door de minister ontvangen. De minister heeft op 16 september 2024 op het bezwaar beslist. Met de uitspraak van vandaag is de procedure geëindigd en is de redelijke termijn overschreden met bijna twee maanden. Dit betekent dat de vennootschap recht heeft op € 500,- schadevergoeding. De behandeling van het bezwaarschrift heeft niet meer dan een half jaar in beslag genomen. De behandeling van het beroep heeft meer dan anderhalf jaar geduurd. Het College zal daarom de Staat veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding aan de vennootschap. Het College zal de Staat eveneens veroordelen in de door de vennootschap gemaakte kosten voor het doen van het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De vennootschap heeft recht op vergoeding van € 467,- (1 punt voor doen van het verzoek met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de door de vennootschap gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan de vennootschap te vergoeden;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan de vennootschap van een vergoeding voor immateriële schade van € 500,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van de vennootschap tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. R.C. Stam en mr. H.R. Kranenborg, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. M.L. Bosman

Bijlage

Artikel 1 van Pro de Lbv
In deze regeling wordt verstaan onder:
(…)
veehouder:natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft;
(…).
Artikel 4, eerste lid, van de Lbv
De minister kan een veehouder die een veehouderij met productierecht drijft, op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie indien de stikstofvracht die deze locatie veroorzaakt op een overbelast Natura 2000-gebied, ten minste gelijk is aan de minimale stikstofvracht die voor dat gebied is vermeld in bijlage 1.
Artikel 6, eerste lid, van de Lbv
De aanvraag van de veehouder wordt afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.