Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:208

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
23/1897, 24/314, 24/326 en 24/327
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening (EU) nr. 1307/2013Art. 72 Verordening (EU) nr. 1306/2013Art. 16 Verordening (EU) nr. 640/2014Art. 8:72 AwbBeleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College van Beroep voor het bedrijfsleven herroept GLB-besluiten over beschikkingsmacht percelen aardappelteelt 2020

Deze bestuursrechtelijke zaken betreffen de vraag tot welk bedrijf landbouwpercelen in 2020 behoorden en wie deze percelen in de Gecombineerde opgave had moeten opgeven voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De minister stelde dat de aardappelteler de feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen waarop hij aardappelen teelde, en legde hem een korting van 3% op GLB-subsidies op. Tevens herberekende en verlaagde de minister de basis- en vergroeningsbetalingen van drie landbouwers, met terugvorderingen tot gevolg.

Het College oordeelt dat slechts enkele percelen daadwerkelijk tot het bedrijf van de aardappelteler behoorden, terwijl het grootste deel van de percelen toebehoorde aan de landbouwers die deze terecht hadden opgegeven. Uit de teeltovereenkomsten en verklaringen blijkt dat de landbouwers de feitelijke beschikkingsmacht en het teeltrisico droegen, ondanks dat de aardappelteler de uitvoerende werkzaamheden verrichtte. De minister heeft ten onrechte de basis- en vergroeningsbetalingen van de landbouwers herberekend en teruggevorderd.

Het College verklaart de beroepen van de aardappelteler en de landbouwers gegrond, vernietigt de ministeriële besluiten, herroept de korting van 3% en stelt deze vast op 1% conform de beleidsregel. Tevens veroordeelt het College de minister in de proceskosten van twee landbouwers. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 12 mei 2026.

Uitkomst: Het College verklaart de beroepen gegrond, herroept de ministeriële besluiten en stelt de GLB-korting voor de aardappelteler vast op 1%.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 23/1897, 24/314, 24/326 en 24/327

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaken tussen

[naam 1] , te [woonplaats 1] ( [naam 1] )

[naam 2] , te [woonplaats 2] ( [naam 2] )

[naam 3] , handelend onder de naam Melkveebedrijf [naam 3], te [woonplaats 3] (melkveebedrijf [naam 3] )
(gemachtigde: mr. R. Oosterbroek)
Mts. [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] ,te [woonplaats 3] (maatschap [naam 6] )
(gemachtigde: mr. R. Oosterbroek)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: C. Zieleman)

Procesverloop

23/1897 ( [naam 1] )
Met het besluit van 12 april 2023 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) een korting vastgesteld van 3% op alle door [naam 1] voor het jaar 2020 aangevraagde subsidies van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Met het besluit van 21 juli 2023 heeft de minister het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard.
24/314 ( [naam 2] )
Met het besluit van 15 november 2023 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van [naam 2] voor het jaar 2020 op grond van de Uitvoeringsregeling herberekend, dit bedrag lager vastgesteld en een geldbedrag van [naam 2] teruggevorderd. Met het besluit van 26 februari 2024 heeft de minister het bezwaar van [naam 2] ongegrond verklaard.
24/326 (melkveebedrijf [naam 3] )
Met het besluit van 15 november 2023 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van melkveebedrijf [naam 3] voor het jaar 2020 op grond van de Uitvoeringsregeling herberekend, dit bedrag lager vastgesteld en een geldbedrag van melkveebedrijf [naam 3] teruggevorderd. Met het besluit van 19 februari 2024 heeft de minister het bezwaar van melkveebedrijf [naam 3] ongegrond verklaard.
24/327 (maatschap [naam 6] )
Met het besluit van 15 november 2023 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van maatschap [naam 6] voor het jaar 2020 op grond van de Uitvoeringsregeling herberekend, dit bedrag lager vastgesteld en een geldbedrag van maatschap [naam 6] teruggevorderd. Met het besluit van 19 februari 2024 heeft de minister het bezwaar van maatschap [naam 6] ongegrond verklaard.
Alle zaken
[naam 1] , [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] hebben beroep ingesteld tegen de besluiten op bezwaar. De minister heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 13 februari 2026. De zaken zijn gezamenlijk behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , de gemachtigde van melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Samenvatting
1.1
Deze zaken gaan over de vraag tot welk bedrijf percelen landbouwgrond in 2020 behoorden en welk bedrijf die percelen in dat jaar in de Gecombineerde opgave had moeten opgeven. Aardappelteler [naam 1] heeft in 2020 aardappelen geteeld op percelen van de landbouwers [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] , maatschap [naam 6] , [naam 7] , maatschap [naam 8] (maatschap [naam 8] ), maatschap [naam 9] , maatschap [naam 10] , maatschap [naam 11] (maatschap [naam 11] ) en maatschap [naam 12] (maatschap [naam 12] ). De landbouwers hebben deze percelen opgegeven in hun Gecombineerde opgaven 2020, [naam 1] niet.
1.2
De minister stelt zich op het standpunt dat de percelen in 2020 tot het bedrijf van [naam 1] behoorden en niet tot de bedrijven van de landbouwers, omdat het volgens de minister [naam 1] was, die de feitelijke beschikkingsmacht had over die percelen. Dit betekent volgens de minister dat [naam 1] niet alle bij hem in gebruik zijnde percelen heeft opgegeven in zijn Gecombineerde opgave 2020. De minister heeft daarom een korting vastgesteld op de steun die [naam 1] in 2020 in het kader van het GLB heeft ontvangen. Dat [naam 1] de feitelijke beschikkingsmacht had over de betrokken percelen, betekent volgens de minister ook dat de landbouwers die percelen ten onrechte hebben opgegeven in hun Gecombineerde opgaven 2020 en daarvoor ten onrechte een uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling hebben ontvangen. De minister heeft daarom de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwers voor het jaar 2020 herberekend, lager vastgesteld en een geldbedrag teruggevorderd. In deze uitspraak beslist het College op de beroepen van aardappelteler [naam 1] en de landbouwers [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] ; de andere landbouwers hebben geen beroep ingesteld.
1.3
In het beroep van aardappelteler [naam 1] komt het College tot het oordeel dat alleen de percelen van [naam 7] en maatschap [naam 9] tot het bedrijf van [naam 1] behoorden en dat de minister in zoverre terecht heeft vastgesteld dat [naam 1] deze percelen in 2020 ten onrechte niet heeft opgegeven in zijn Gecombineerde opgave; de percelen van de overige landbouwers heeft hij daarin terecht niet opgegeven. In de beroepen van de landbouwers [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] komt het College tot het oordeel dat de betrokken percelen tot hun bedrijf en dus niet tot het bedrijf van [naam 1] behoorden; zij hebben deze percelen dus terecht opgegeven in hun Gecombineerde opgaven. Het College stelt de aan [naam 1] opgelegde korting zelf vast op 1% en herroept de besluiten waarmee de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwers [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] heeft herberekend, dat bedrag lager heeft vastgesteld en een geldbedrag heeft teruggevorderd.
Feiten
2.1
In 2021 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een strafrechtelijk onderzoek gestart naar [naam 1] in verband met overtreding van het zogenoemde 1 op 3 aardappelteeltvoorschrift. In het kader van dat onderzoek hebben zij teeltovereenkomsten, facturen en betalingsbewijzen verkregen die betrekking hebben op de landbouwers en hebben zij de landbouwers verhoord. Hiervan hebben de toezichthouders op 8 en 9 februari 2022 rapporten van bevindingen opgemaakt.
2.2
In de onderscheidenlijke rapporten van bevindingen en de daarbij gevoegde bijlagen staat, voor zover hier van belang en samengevat weergegeven, het volgende.
[naam 2]
2.3.1
exploiteert een landbouwbedrijf en houdt onder meer melkvee. [naam 2] en [naam 1] zijn overeengekomen dat [naam 1] in 2020 aardappelen teelt op perceel [nummer 1] (3,79 ha) dat in eigendom was van [naam 2] . In de teeltovereenkomst staat het volgende:
“Teler: [naam 2] , [adres 1]
Hierna te noemen teler
Loonwerker: [naam 1] , [adres 2]
Hierna te noemen loonwerker
Verklaren dat:
1: Deze overeenkomst betrekking heeft op het perceel: 3,79 ha, naast boerderij.
2: Teler eigenaar is en beschikkingsmacht heeft over bovenstaand perceel.
3: Volgens teeltplan van teler heeft dit perceel de mogelijkheid tot aardappelteelt.
4: De teelt op dit perceel vind plaats voor rekening en risico van teler.
5: Teler geeft loonwerker opdracht, de teeltwerkzaamheden uit te voeren.
6: De loonwerker zal de teelt zo goed en kundig mogelijk uitvoeren.
7: Teler zal het perceel bij de gecombineerde opgave opgeven.
8: Na de oogst zal loonwerker de gemaakte teeltkosten factureren aan teler.
9: De opbrengst aardappels koopt loonwerker van teler voor een prijs van
60 euro per ton.
10: De afrekening zal plaatsvinden door verrekening van gemaakte kosten
met de opbrengst van geoogste aardappels.
[…]”
2.3.2
[naam 1] heeft aan [naam 2] gefactureerd voor zijn werkzaamheden in het kader van de aardappelteelt. Op de factuur staan kosten van ploegen, poten, opruggen, spuiten, gewasbeschermingsmiddelen en rooien. De totale kosten daarvan (€ 6.640,50) zijn verrekend met de prijs van de koop van 173,58 ton aardappelen door [naam 1] van [naam 2] (€ 11.352,37). [naam 1] heeft het verschil (€ 4.711,87) betaald aan [naam 2] . [naam 2] heeft ten overstaan van de toezichthouders onder meer verklaard dat perceel [nummer 1] deel uitmaakte van zijn bedrijf en dat hij het teeltrisico draagt, omdat de oogst van invloed is op zijn financiële opbrengst.
Melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6]
2.4.1
Melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] exploiteren beide een melkveehouderij. [naam 1] is in 2020 met melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] overeengekomen dat hij aardappelen teelt op perceel [nummer 2] (5,4 ha) dat in eigendom was van melkveebedrijf [naam 3] en perceel [nummer 3] (2,62 ha) dat in eigendom was van maatschap [naam 6] . Zij hebben daartoe één gezamenlijke teeltovereenkomst met [naam 1] gesloten en ook facturatie en betaling hebben gezamenlijk plaatsgevonden. Partijen hebben gebruikgemaakt van de teeltovereenkomst zoals die hiervoor onder 2.3.1 is weergegeven. [naam 1] heeft aan melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] gefactureerd voor zijn werkzaamheden in het kader van de aardappelteelt. Op de factuur staan kosten van ploegen, poten, opruggen, spuiten, gewasbeschermingsmiddelen en rooien. De totale kosten daarvan (€ 14.367,31) zijn verrekend met de prijs van de koop van 375,56 ton aardappelen door [naam 1] van melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] (€ 24.561,85).
2.4.2
[naam 3] ( [naam 3] ) heeft onder meer verklaard dat hij de percelen [nummer 2] en [nummer 3] in 2020 in gebruik had, dat hij zelf de percelen heeft geëgd en mest heeft uitgereden op de percelen, dat hij daartoe in overleg met [naam 1] het moment van uitrijden en de hoeveelheid mest heeft bepaald en dat hij in overleg met [naam 1] heeft bepaald of kunstmest werd gebruikt en welk aardappelras werd geteeld. Verder heeft [naam 3] verklaard dat [naam 1] de kunstmest heeft gestrooid, de plantdichtheid heeft bepaald, het pootgoed heeft geregeld, de aardappelen heeft gepoot en veldinspecties heeft uitgevoerd, alsook dat [naam 1] heeft beslist of en welke gewasbeschermingsmiddelen werden gebruikt en deze heeft toegepast. Over het moment van oogsten heeft [naam 3] verklaard dat [naam 1] dit bepaalde, maar dat [naam 3] het liefst wilde dat dit vóór 15 september 2020 zou gebeuren, zodat hij de percelen nog kon inzaaien met gras. Melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] hebben de geoogste aardappelen verkocht aan [naam 1] .
Maatschap [naam 8]
2.5.1
Maatschap [naam 8] exploiteert een landbouwbedrijf en houdt onder meer rundvee. Zij is in 2020 met [naam 1] overeengekomen dat [naam 1] aardappelen teelt op acht percelen (totaal 29,31 ha) die in eigendom waren van de maatschap. Partijen hebben gebruikgemaakt van de teeltovereenkomst zoals die hiervoor onder 2.3.1 is weergegeven. [naam 1] heeft aan de maatschap gefactureerd voor zijn werkzaamheden in het kader van de aardappelteelt. Op de factuur staan kosten van ploegen, poten, opruggen, spuiten, gewasbeschermingsmiddelen en rooien. De totale kosten daarvan (€ 52.563,31) zijn verrekend met de prijs van de koop van 1.474,01 ton aardappelen door [naam 1] van de maatschap (€ 96.400,42). [naam 1] heeft het verschil (€ 43.837,11) betaald aan de maatschap.
2.5.2
[naam 8] ( [naam 8] ) heeft namens maatschap [naam 8] onder meer verklaard dat de maatschap de percelen in 2020 in gebruik had, en dat de maatschap met het oog op risicospreiding zelf ervoor heeft gekozen om aardappelen te gaan telen in 2020. Verder heeft [naam 8] verklaard dat [naam 1] de percelen pootklaar heeft gemaakt, dat de maatschap zelf dierlijke mest heeft laten aanvoeren en deze mest heeft aangewend op de percelen, alsook dat in overleg met [naam 1] is bepaald wanneer en in welke hoeveelheid dit gebeurde. Ook heeft [naam 8] verklaard dat [naam 1] de pootaardappelen heeft geleverd en gepoot en daarbij de plantdichtheid heeft bepaald, alsook dat [naam 1] heeft bepaald of en welke gewasbeschermingsmiddelen werden gebruikt en die middelen heeft toegepast, dat [naam 1] in eerste instantie de veldinspecties deed, en dat [naam 1] deze soms met hem deed. Tot slot heeft [naam 8] verklaard dat [naam 1] heeft bepaald wanneer de aardappelen gerooid werden, dat [naam 1] deze werkzaamheden heeft uitgevoerd, dat de maatschap de aardappelenopbrengst verkocht aan [naam 1] en dat de kosten van het loonwerk van [naam 1] zijn verrekend met de prijs van de aardappelen.
[naam 7]
2.6
[naam 7] heeft in 2020 met [naam 1] een grondgebruikersverklaring gesloten, die inhoudt dat [naam 1] twee percelen (totaal 8,37 ha) huurt van [naam 7] .
Maatschap [naam 9]
2.7
Maatschap [naam 9] is in 2020 met [naam 1] overeengekomen dat [naam 1] aardappelen teelt op één perceel (2,5 ha), dat in eigendom was van de maatschap. Partijen hebben gebruikgemaakt van de teeltovereenkomst zoals die hiervoor onder 2.3.1 is weergegeven. [naam 9] heeft namens de maatschap verklaard dat de maatschap het perceel in 2020 niet zelf in gebruik had, maar het perceel verhuurde aan [naam 1] . De aardappelteelt vond plaats voor rekening en risico van [naam 1] .
Maatschap [naam 10]
2.8.1
Maatschap [naam 10] exploiteert een landbouwbedrijf en houdt onder meer rundvee. [naam 1] heeft in 2020 aardappelen geteeld op twee percelen die in eigendom waren van maatschap [naam 10] (totaal 10,28 ha). Bij het rapport van bevindingen is geen overeenkomst tussen partijen gevoegd. [naam 1] heeft aan de maatschap gefactureerd voor zijn werkzaamheden in het kader van de aardappelteelt. Op de factuur staan kosten van ploegen, poten, opruggen, spuiten, gewasbeschermingsmiddelen en rooien. De totale kosten daarvan (€ 18.397,15) zijn verrekend met de prijs van de koop van 515,9 ton aardappelen door [naam 1] van de maatschap (€ 33.740,14). [naam 1] heeft het verschil (€ 15.342,99) betaald aan de maatschap.
2.8.2
[naam 13] ( [naam 13] ) heeft namens maatschap [naam 10] onder meer verklaard dat [naam 1] in 2020 als loonwerkzaamheden aardappelen heeft geteeld voor de maatschap, dat de percelen in gebruik waren bij de maatschap, dat de percelen in overleg met [naam 1] zaaiklaar zijn gemaakt en dat de beslissing om (kunst)mest aan te wenden op het perceel in overleg is genomen. Verder heeft [naam 13] verklaard dat [naam 1] de pootaardappelen heeft geleverd en gepoot en daarbij de plantdichtheid heeft bepaald, alsook dat [naam 1] heeft bepaald of en welke gewasbeschermingsmiddelen werden gebruikt en die middelen heeft toegepast, en dat veldinspecties gezamenlijk werden gedaan. Ook heeft [naam 13] verklaard dat het moment van rooien in overleg heeft plaatsgevonden, omdat hij precies weet of er wel of niet geoogst kan worden in verband met de draagkracht van de grond, en dat [naam 1] de rooiwerkzaamheden heeft uitgevoerd. Tot slot heeft Kuiperverklaard dat de maatschap het teeltrisico droeg, de geoogste aardappelen aan [naam 1] heeft verkocht en dat de kosten die [naam 1] heeft gemaakt voor de aardappelteelt zijn verrekend met de prijs van de aardappelen.
2.8.3
Bijna twee weken na het afleggen van de hiervoor weergegeven verklaring heeft [naam 13] aan de toezichthouders te kennen gegeven die verklaring te willen intrekken. Volgens hem neemt [naam 1] alle consequenties voor zijn rekening. Volgens [naam 13] staat in de teeltovereenkomst wat zijn bijdrage is geweest.
Maatschap [naam 11]
2.9.1
Maatschap [naam 11] exploiteert een melkveehouderij. Zij is in 2020 met [naam 1] overeengekomen dat [naam 1] aardappelen teelt op twee percelen die in eigendom waren van de maatschap (totaal 6,93 ha). Partijen hebben gebruikgemaakt van de teeltovereenkomst zoals die hiervoor onder 2.3.1 is weergegeven. [naam 1] heeft aan de maatschap gefactureerd voor zijn werkzaamheden in het kader van de aardappelteelt. Op de factuur staan kosten van ploegen, poten, opruggen, spuiten, gewasbeschermingsmiddelen en rooien. De totale kosten daarvan (€ 10.775,47) zijn verrekend met de prijs van de koop van 291,92 ton aardappelen door [naam 1] van de maatschap (€ 19.091,73). [naam 1] heeft het verschil (€ 8.316,26) betaald aan de maatschap.
2.9.2
[naam 14] ( [naam 11] ) heeft namens de maatschap onder meer verklaard dat [naam 1] in 2020 als loonwerkzaamheden aardappelen heeft geteeld, en dat de percelen in gebruik waren van de maatschap. Verder heeft [naam 11] verklaard dat [naam 1] de percelen zaaiklaar heeft gemaakt, dat de maatschap zelf mest heeft uitgereden op de percelen, dat [naam 1] kunstmest strooide die afkomstig was van de maatschap, alsook dat [naam 1] de pootaardappelen heeft geleverd en gepoot, daarbij de plantdichtheid heeft bepaald, de veldinspecties heeft uitgevoerd, heeft bepaald of en welke gewasbeschermingsmiddelen werden gebruikt en die middelen heeft toegepast. Tot slot heeft [naam 11] verklaard dat [naam 1] bepaalde wanneer de aardappelen gerooid werden, dat [naam 1] de rooiwerkzaamheden uitvoerde, dat de maatschap de aardappelen verkocht aan [naam 1] en dat de kosten die [naam 1] heeft gemaakt voor de aardappelteelt zijn verrekend met de prijs van de aardappelen.
Maatschap [naam 12]
2.10.1
Maatschap [naam 12] exploiteert een melkveehouderij. Zij is in 2020 met [naam 1] overeengekomen dat [naam 1] aardappelen teelt op één perceel dat in eigendom was van de maatschap (6,85 ha). Partijen hebben gebruikgemaakt van de teeltovereenkomst zoals die hiervoor onder 2.3.1 is weergegeven. [naam 1] heeft aan de maatschap gefactureerd voor zijn werkzaamheden in het kader van de aardappelteelt. Op de factuur staan kosten van ploegen, poten, opruggen, spuiten, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en rooien. De totale kosten daarvan (€ 12.475,02) zijn verrekend met de prijs van de koop van 314,23 ton aardappelen door [naam 1] van de maatschap (€ 20.550,78). [naam 1] heeft het verschil (€ 8.075,76) betaald aan de maatschap.
2.10.2
[naam 15] ( [naam 12] ) heeft namens de maatschap onder meer verklaard dat de maatschap in 2020 de beschikkingsmacht had over het perceel, dat de maatschap [naam 1] de opdracht heeft gegeven de aardappelteelt te verzorgen, dat [naam 1] de percelen zaaiklaar heeft gemaakt en dat hij in overleg met [naam 1] mest heeft uitgereden en kunstmest heeft gestrooid op het perceel. Verder heeft [naam 12] verklaard dat [naam 1] de pootaardappelen heeft geleverd en gepoot, daarbij de plantdichtheid heeft bepaald, dat hij samen met [naam 1] de veldinspecties heeft uitgevoerd, dat in overleg is besloten om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, dat [naam 1] bepaalde welk soort gewasbeschermingsmiddel werd gebruikt en dat [naam 1] die middelen heeft toegepast. Tot slot heeft [naam 12] verklaard dat [naam 1] bepaalde wanneer de aardappelen gerooid werden, dat [naam 1] de rooiwerkzaamheden uitvoerde en dat de maatschap de aardappelen heeft verkocht aan [naam 1] .
Het standpunt van de minister
3.1
De minister heeft de rapporten van bevindingen aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. Volgens de minister lag het feitelijk gebruik van de daarin genoemde percelen bij [naam 1] en niet bij de landbouwers. De minister wijst in dat verband op de verklaringen van de landbouwers, waaruit blijkt dat de feitelijke invulling van de overeenkomsten afwijkt van wat op papier is afgesproken. Volgens de minister voerde [naam 1] alle bewerkingen voor de aardappelteelt uit, bepaalde hij wanneer deze bewerkingen plaatsvonden en wanneer en op welk perceel gewasbeschermingsmiddelen werden gebruikt. Ook voert de minister aan dat [naam 1] rekeningen heeft betaald en het economisch risico liep. Volgens de minister betaalde [naam 1] huur aan de landbouwers voor het gebruik van de percelen.
3.2
In de onderscheidenlijke zaken heeft dat tot het volgende geleid.
23/1897 ( [naam 1] )
3.3
Met het besluit van 12 april 2023 heeft de minister een korting toegepast van 3% op alle door [naam 1] voor het jaar 2020 aangevraagde subsidies van het GLB, omdat [naam 1] 76,01 ha tot zijn bedrijf behorende percelen landbouwgrond niet heeft opgegeven in zijn Gecombineerde opgave 2020 (onderdeclaratie). Met het besluit van 21 juli 2023 heeft de minister dit besluit gehandhaafd.
24/314 ( [naam 2] )
3.4.1
Met de Gecombineerde opgave van 5 mei 2020 heeft [naam 2] onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2020. Daarbij heeft hij in totaal een oppervlakte van 49,11 ha opgegeven.
3.4.2
Met het besluit van 22 december 2020 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van [naam 2] voor het jaar 2020 vastgesteld op € 17.713,06. De minister heeft daarbij een oppervlakte van 48,92 ha in aanmerking genomen.
3.4.3
Met het besluit van 15 november 2023 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van [naam 2] voor het jaar 2020 herberekend en vastgesteld op € 15.732,93. Daarbij heeft de minister een oppervlakte van 45,32 ha in aanmerking genomen. De minister heeft perceel 67 (3,79 ha) afgekeurd, omdat [naam 2] dit perceel niet in gebruik had in 2020. Dat leidt ertoe dat [naam 2] een geldbedrag van € 1.980,13 moet terugbetalen. Met het besluit van 26 februari 2024 heeft de minister het bezwaar van [naam 2] ongegrond verklaard.
24/326 (melkveebedrijf [naam 3] )
3.5.1
Met de Gecombineerde opgave van 12 mei 2020 heeft melkveebedrijf [naam 3] onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2020. Daarbij heeft hij in totaal een oppervlakte van 42,69 ha opgegeven.
3.5.2
Met het besluit van 9 december 2020 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van melkveebedrijf [naam 3] voor het jaar 2020 vastgesteld op € 15.464,68. De minister heeft daarbij een oppervlakte van 42,69 ha in aanmerking genomen.
3.5.3
Met het besluit van 15 november 2023 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van melkveebedrijf [naam 3] voor het jaar 2020 herberekend en vastgesteld op € 11.473,16. Daarbij heeft de minister een oppervlakte van 37,29 ha in aanmerking genomen. De minister heeft perceel [nummer 2] (5,4 ha) afgekeurd, omdat melkveebedrijf [naam 3] dit perceel niet in gebruik had in 2020. Dat leidt ertoe dat melkveebedrijf [naam 3] een geldbedrag van € 3.991,52 moet terugbetalen. Met het besluit van 19 februari 2024 heeft de minister het bezwaar van melkveebedrijf [naam 3] ongegrond verklaard.
24/327 (maatschap [naam 6] )
3.6.1
Met de Gecombineerde opgave van 12 mei 2020 heeft maatschap [naam 6] onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2020. Daarbij heeft zij in totaal een oppervlakte van 15,87 ha opgegeven.
3.6.2
Met het besluit van 9 december 2020 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van maatschap [naam 6] voor het jaar 2020 vastgesteld op € 5.785,50. De minister heeft daarbij een oppervlakte van 15,87 ha in aanmerking genomen.
3.6.3
Met het besluit van 15 november 2023 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van maatschap [naam 6] voor het jaar 2020 herberekend en vastgesteld op € 3.848,88. De minister heeft perceel 50 (2,62 ha) afgekeurd omdat maatschap [naam 6] dit perceel niet in gebruik had in 2020. Dat leidt ertoe dat maatschap [naam 6] een geldbedrag van € 1.936,62 moet terugbetalen. Met het besluit van 19 februari 2024 heeft de minister het bezwaar van maatschap [naam 6] ongegrond verklaard.
Het standpunt van aardappelteler [naam 1] en de landbouwers [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6]
4.1
[naam 1] betoogt dat de minister de korting ten onrechte heeft opgelegd. Met uitzondering van de percelen van de landbouwers [naam 7] en maatschap [naam 9] had hij in 2020 niet de feitelijke beschikkingsmacht over de percelen. Volgens hem hoefde hij die percelen dan ook niet op te geven in de Gecombineerde opgave van dat jaar.
4.2
[naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] betogen dat de minister ten onrechte ervan is uitgegaan dat de percelen tot het bedrijf van [naam 1] behoorden. Zij en niet [naam 1] hadden in 2020 de feitelijke beschikkingsmacht over de percelen. Zij beschikten over voldoende autonomie over hun eigen percelen en hebben een deel van de werkzaamheden ook zelf uitgevoerd.
Wettelijk kader
5 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door het College
6.1
De basisbetaling en de vergroeningsbetaling worden uitbetaald voor subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid). De oppervlakte moet, om subsidiabel te zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 2 juli 2015, Demmer, punt 54 (ECLI:EU:C:2015:439)).
6.2
Percelen behoren tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 14 oktober 2010, Landkreis Bad Dürkheim, (ECLI:EU:C:2010:606)). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van een landbouwactiviteit te beheren. Ook moet de landbouwactiviteit op de betrokken oppervlakten namens en voor rekening van de landbouwer worden uitgeoefend.
6.3
Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU)
nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient – kort gezegd – een begunstigde van steunregelingen elk jaar een aanvraag voor rechtstreekse betalingen in voor het desbetreffende areaal, waarin alle landbouwpercelen op het bedrijf worden aangegeven.
7 In het beroep van [naam 1] stelt het College vast dat [naam 1] op de zitting heeft verklaard dat hij niet langer bestrijdt dat hij de twee percelen van [naam 7] en het perceel van maatschap [naam 9] in 2020 huurde en feitelijk in gebruik had. In zoverre heeft de minister terecht vastgesteld dat [naam 1] niet alle in 2020 bij hem in gebruik zijnde percelen heeft opgegeven in zijn Gecombineerde opgave van dat jaar.
8.1
In de beroepen van [naam 1] en de landbouwers [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] stelt het College vast dat de landbouwers [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] , maatschap [naam 3] , maatschap [naam 8] , maatschap [naam 10] , maatschap [naam 11] en maatschap [naam 12] in 2020 eigenaar waren van de door hen opgegeven percelen in 2020 en bijgevolg een geldige gebruikstitel hadden. Verder exploiteerden die landbouwers (melk)veehouderijen en hebben zij daarnaast met [naam 1] eenzelfde teeltovereenkomst gesloten. De teeltovereenkomst tussen maatschap [naam 10] en [naam 1] zit niet bij de rapporten van bevindingen, maar de minister heeft op de zitting verklaard aan te nemen dat ook tussen deze partijen gebruik is gemaakt van eenzelfde teeltovereenkomst. Het College gaat daar dan ook van uit.
8.2
Het College is vervolgens van oordeel dat [naam 1] en de landbouwers [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] aannemelijk hebben gemaakt dat de in geding zijnde percelen in 2020 tot het bedrijf van deze landbouwers behoorden en niet tot het bedrijf van [naam 1] , en dat [naam 1] aannemelijk heeft gemaakt dat de overige (nog in geschil zijnde) percelen in 2020 niet tot zijn bedrijf behoorden. Uit de teeltovereenkomsten blijkt dat de landbouwers [naam 1] de opdracht hebben gegeven om op bepaalde percelen aardappelen te telen. Zij hebben daarmee zelf bepaald dat en wanneer op die percelen aardappelen geteeld werden en beschikten in zoverre dus zelfstandig over de uitoefening van hun landbouwactiviteiten. Het is het College daarbij voor geen van de percelen gebleken dat de feitelijke werkzaamheden van [naam 1] afweken van de afspraken in de teeltovereenkomsten. Uit de door de landbouwers afgelegde verklaringen blijkt weliswaar dat [naam 1] voor een groot deel bepaalde hoe de aardappelteelt plaatsvond en dat hij daartoe de meeste uitvoerende werkzaamheden verrichtte, maar daaruit blijkt niet dat die feitelijke werkzaamheden verder gingen dan de aardappelteelt. In dat verband is verder van belang dat, zoals [naam 3] en [naam 2] tijdens de zitting hebben toegelicht, de aardappelteelt voornamelijk diende om de kwaliteit van de grond te verbeteren zodat het gras, dat na afloop van de aardappelteelt werd ingezaaid, kon dienen als voer voor het vee. De aardappelteelt besloeg dan ook slechts een gedeelte van het jaar en stond in zoverre vooral ten dienste van de exploitatie van de melkveehouderij, terwijl niet is gebleken dat [naam 1] ook maar enige betrokkenheid had bij de landbouwactiviteiten die in de rest van het jaar op die percelen hebben plaatsgevonden. Het College ziet geen grond om aan te nemen dat dit bij de andere landbouwers anders was. Verder blijkt, anders dan de minister aanneemt, uit de gebruikte constructie tussen [naam 1] en de landbouwers dat het teeltrisico voor de aardappelen in dit geval niet alleen bij [naam 1] maar ook bij de landbouwers lag. Weliswaar gebruikte [naam 1] zijn eigen pootaardappelen en betaalde hij de gewasbeschermingsmiddelen, maar die kosten factureerde hij voor een groot deel, zoals ook was afgesproken in de teeltovereenkomsten. Verder was de financiële opbrengst voor de landbouwers afhankelijk van het succes van de aardappelteelt, omdat [naam 1] de aardappelen van hen kocht voor € 60,- per ton. Voor de conclusie dat [naam 1] voor de percelen huur betaalde bestaat geen grond.
8.3
Het betoog van [naam 1] en de landbouwers [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] slaagt.
9.1
In het beroep van [naam 1] leidt het voorgaande tot de conclusie dat de minister ten onrechte aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd dat [naam 1] de percelen van de landbouwers [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] , maatschap [naam 6] , maatschap [naam 8] , maatschap [naam 10] , maatschap [naam 11] en maatschap [naam 12] ten onrechte niet heeft opgegeven in de Gecombineerde opgave 2020.
9.2
Het College zal het beroep van [naam 1] gegrond verklaren en het besluit van 21 juli 2023 vernietigen. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 12 april 2023 te herroepen en de korting voor het jaar 2020 vast te stellen op 1% van alle subsidies uit het GLB die [naam 1] in 2020 heeft aangevraagd. Het College overweegt hiertoe als volgt.
9.3
Artikel 16, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden bepaalt – voor zover hier van belang – dat indien een begunstigde voor een bepaald jaar niet alle in artikel 72, eerste lid, van Verordening 1306/2013 bedoelde arealen aangeeft en het verschil tussen enerzijds het in de verzamelaanvraag en/of de betalingsaanvraag aangegeven totale areaal en anderzijds de som van het aangegeven areaal en het totale areaal van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3% van het aangegeven areaal, het totale bedrag van de areaalgebonden rechtstreekse betalingen dat in dat jaar aan die begunstigde moet worden betaald, wordt verlaagd met maximaal 3%, afhankelijk van de ernst van het verzuim. In artikel 1 van Pro de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB – voor zover hier van belang – staat hoe de minister de verlaging bepaalt: indien het verschil groter is dan 3 procent en kleiner dan of gelijk aan 10 procent, bedraagt de verlaging 1 procent.
9.4
Voor het College staat vast dat het totale areaal van de door [naam 1] niet opgegeven percelen 10,83 ha bedraagt; twee percelen van [naam 7] (volgens haar Gecombineerde opgave 2020 in totaal 8,33 ha) en één perceel van maatschap [naam 9] (2,5 ha). Omdat [naam 1] in de Gecombineerde opgave 2020 een totaal areaal heeft opgegeven van 217,43 ha, bedraagt het hiervoor bedoelde verschil (afgerond) 5%. Het College zal de korting overeenkomstig de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB dan ook vaststellen op 1%.
10.1
In de beroepen van [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] leidt het voorgaande tot de conclusie dat de minister aan zijn besluitvorming ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat de door hen opgegeven percelen niet tot hun bedrijf behoorden. De minister heeft de basis- en vergroeningsbetaling van hen voor het jaar 2020 dus ten onrechte herberekend en lager vastgesteld en heeft ten onrechte een geldbedrag teruggevorderd.
10.2
Het College zal de beroepen van [naam 2] , melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] gegrond verklaren en de besluiten op bezwaar van respectievelijk 26, 19 en 19 februari 2024 vernietigen. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb ook in die zaken zelf te voorzien door de besluiten van 15 november 2023 te herroepen. Dat leidt ertoe dat de besluiten van respectievelijk 22, 9 en 9 december 2020 herleven en dat zij geen geldbedrag hoeven terug te betalen.
11 Het College zal de minister veroordelen in de door melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1). Het College gaat daarbij uit van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

Het College:
in de zaak 23/1897 ( [naam 1] )
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 21 juli 2023;
  • herroept het besluit van 12 april 2023;
  • stelt de korting voor het jaar 2020 vast op 1% van alle GLB-subsidies die [naam 1] voor dat jaar heeft aangevraagd;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 21 juli 2023;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan [naam 1] te vergoeden;
in de zaken 24/314 ( [naam 2] ), 24/326 (melkveebedrijf [naam 3] ) en 24/327 (maatschap [naam 6] )
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de besluiten van respectievelijk 26 februari 2024, 19 februari 2024 en 19 februari 2024;
  • herroept de besluiten van 15 november 2023;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 26 februari 2024, 19 februari 2024 en 19 februari 2024;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan [naam 2] te vergoeden;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan melkveebedrijf [naam 3] te vergoeden;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan maatschap [naam 6] te vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van melkveebedrijf [naam 3] en maatschap [naam 6] tot een totaalbedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. A. Venekamp en mr. O.L.H.W.I. Korte, in aanwezigheid van mr. R.H. Verheijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
w.g. H.L. van der Beek w.g. R.H. Verheijen

Bijlage

Verordening (EU) Nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

Artikel 72
Steunaanvragen en betalingsaanvragen
1. Een begunstigde van de in artikel 67, lid 2, bedoelde steun dient elk jaar een aanvraag voor rechtstreekse betalingen of een betalingsaanvraag in voor respectievelijk het desbetreffende areaal en de diergebonden maatregelen voor plattelandsontwikkeling, waarin voor zover van toepassing worden aangegeven:
a)
alle landbouwpercelen op het bedrijf, alsmede het niet-landbouwareaal waarvoor de in artikel 67, lid 2, bedoelde steun wordt aangevraagd;
[…]
Verordening (EU) Nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
Artikel 32
[…]
2. In deze titel wordt onder "subsidiabele hectare" verstaan:
a)ieder landbouwareaal van het bedrijf, met inbegrip van areaal dat op 30 juni 2003 niet in goede landbouwconditie verkeerde in de lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Unie zijn toegetreden en bij die toetreding ervoor hebben gekozen de regeling inzake een enkele areaalbetaling toe te passen, dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt; […]
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden
Artikel 16
Niet-aangifte van alle arealen
1. Indien een begunstigde voor een bepaald jaar niet alle in artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde arealen aangeeft en het verschil tussen enerzijds het in de verzamelaanvraag en/of de betalingsaanvraag aangegeven totale areaal en anderzijds de som van het aangegeven areaal en het totale areaal van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3 % van het aangegeven areaal, wordt het totale bedrag van de areaalgebonden rechtstreekse betalingen en/of de bijstand in het kader van de areaalgebonden bijstandsmaatregelen dat in dat jaar aan die begunstigde moet worden betaald, verlaagd met maximaal 3 %, afhankelijk van de ernst van het verzuim.
[…]
Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Artikel 1
Indien een landbouwer niet alle in artikel 16 van Pro Verordening (EU) nr. 640/2014 bedoelde oppervlakten opgeeft en daarbij het verschil tussen enerzijds de totale in de verzamelaanvraag aangegeven oppervlakte en anderzijds de som van de aangegeven oppervlakte en de totale oppervlakte van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3 procent van de aangegeven oppervlakte, wordt het totale bedrag van de rechtstreekse betalingen die in dat jaar aan die landbouwer moet worden gedaan als volgt verlaagd:
indien het verschil groter is dan 3 procent en kleiner dan of gelijk aan 10 procent, bedraagt de verlaging 1 procent;
indien het verschil groter is dan 10 procent en kleiner dan of gelijk aan 20 procent, bedraagt de verlaging 2 procent;
indien het verschil groter is dan 20 procent, bedraagt de verlaging 3 procent.