Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaken tussen
Maatschap [naam 1] , te [vestigingsplaats] (maatschap)
(gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop in (hoger) beroep
Grondslag van het geschil in (hoger) beroep
5.220 kg. Hoewel de toegepaste correcties zouden moeten leiden tot een hoger boetebedrag, laat de minister dit wegens het verbod van reformatio in peius achterwege. Wel matigt de minister in verband met het overschrijden van de beslistermijn van 26 weken het boetebedrag met (het maximum van) € 2.500,- tot € 33.277,-.
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in (hoger) beroep
ad 2. De percelen 48 en 64 betreffen geen landbouwgrond’(nogmaals) uiteen is gezet dat en waarom deze twee percelen terecht niet als landbouwgrond in de zin van de Msw zijn aangemerkt, maar – door de gebruiksbeperkingen die volgen uit de pachtovereenkomst – als natuurterrein, met de hoofdfunctie natuur. Het College kan zich vinden in die uiteenzetting en verwijst daar kortheidshalve naar. Aan een bespreking van de gevolgen voor de situatie dat perceel 48 wel als landbouwgrond zou worden aangemerkt en perceel 64 niet, komt het College gezien het voorgaande niet toe.
,waarbij voor eiseres de maatschap moet worden gelezen.
,waarbij voor eiseres de maatschap moet worden gelezen.
170 kg stikstof per ha heeft overschreden en was daarom bevoegd een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 7 van Pro de Msw. Het College is, met de rechtbank, van oordeel dat de door de maatschap aangevoerde gronden tegen de hoogte van de opgelegde boete niet slagen. De uiteindelijk door de rechtbank opgelegde boete acht het College evenredig.