Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:151

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/369
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 MeststoffenwetArt. 4:5 AwbArt. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek fosfaatrecht op grond van Meststoffenwet

De maatschap verzocht herhaaldelijk om herziening van het besluit van 22 oktober 2018 waarbij het fosfaatrecht was vastgesteld. Eerdere verzoeken en beroepen werden ongegrond verklaard door de minister en het College. Het huidige herzieningsverzoek uit juni 2023 betrof een vermeende verkeerde toepassing van de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet.

Het College overwoog dat de maatschap geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die niet reeds in eerdere procedures waren besproken. Documenten zoals een dierenartsverklaring uit 2017 en een bacteriologisch onderzoek uit 2014 hadden eerder ingebracht kunnen worden en zijn daarom niet nieuw. Ook een telefoongesprek met een ambtenaar in mei 2023 leverde geen bewijs op van toezeggingen of nieuwe feiten.

Het College concludeerde dat het besluit van de minister om het bezwaar ongegrond te verklaren niet evident onredelijk was. Het beroep van de maatschap werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de maatschap tegen het besluit tot afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/369

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1], te [vestigingsplaats] (maatschap)

(gemachtigde: A.G. Winkel)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. L. Brand)

Procesverloop

Met het besluit van 22 oktober 2018 heeft de minister het fosfaatrecht van de maatschap op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) vastgesteld. Het verzoek van de maatschap om terug te komen van dat besluit heeft de minister met het besluit van 4 september 2023 afgewezen.
Met het besluit van 29 februari 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De maatschap heeft nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 3 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1], de gemachtigden van partijen en namens de minister ir. [naam 2].

Overwegingen

1.1
Met het besluit van 5 januari 2018 heeft de minister het fosfaatrecht van de maatschap vastgesteld en met het besluit van 22 oktober 2018 op het bezwaar van de maatschap het aantal fosfaatrechten verhoogd tot 6.223 kg. Het College heeft het beroep tegen dat besluit op 29 september 2019 ongegrond verklaard (ECLI:NL:CBB:2019:450).
1.2
Op 15 september 2020 heeft de maatschap verzocht het besluit van 22 oktober 2018 te herzien. De minister heeft dit verzoek afgewezen en het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Het College heeft het beroep hiertegen op 12 juli 2022 ongegrond verklaard (ECLI:NL:CBB:2022:416).
1.3
Op 8 juni 2023 heeft de maatschap (opnieuw) verzocht het besluit van 22 oktober 2018 te herzien. De minister heeft met het bestreden besluit het bezwaar van de maatschap tegen de afwijzing van dat verzoek ongegrond verklaard.
2.1
Het herzieningsverzoek van 8 juni 2023 doet de maatschap, omdat volgens haar de minister een verkeerde toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Over de toepassing van die wettelijke bepaling in het geval van de maatschap heeft het College in zijn uitspraak van 24 september 2019 onder meer geoordeeld:
"Appellante stelt dat zij zonder de dierziekte op 2 juli 2015 132 melkkoeien zou hebben gehad. Dat wil zeggen 15 stuks meer dan op de datum dat de dierziekte intrad. Dit betekent dat volgens appellante de veestapel zou zijn gegroeid in de periode van 19 november 2014 tot en met 2 juli 2015. Deze groei is (tijdelijk) gestagneerd door de dierziekte. In eerdere uitspraken […] is […] al geoordeeld dat […] een vergelijking tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum moet plaatsvinden. Dat dit tot gevolg kan hebben dat de stagnatie in de groei door de dierziekte niet meer wordt gecompenseerd, heeft het College onder ogen gezien en aanvaard. Het College heeft hiermee aangesloten bij de uitdrukkelijke wens van de wetgever om niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht […]. Dat verweerder dit uitgangspunt […] ook van toepassing acht op niet gerealiseerde uitbreidingen op [2 juli 2015], heeft het College […] in lijn geacht met de bedoeling van de wetgever […]. De wetgever zag geen plaats om toekomstige ontwikkelingen te betrekken, teneinde verhoging van het fosfaatrecht door (nog niet verwezenlijkte) uitbreidingsplannen te voorkomen.
[…]
Het College ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen."
2.2
Ook het herzieningsverzoek van 15 september 2020 berustte op de stelling dat de minister een verkeerde toepassing heeft gegeven aan artikel 23, zesde lid, van de Msw. Daarover heeft het College in zijn uitspraak van 12 juli 2022 onder meer het volgende overwogen:
"Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
[…]
Bij een verzoek om herziening […] [kan] het bestuursorgaan er […] voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
[…]
Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden […] is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of als feiten en omstandigheden niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat alle door appellante aangevoerde gronden in de eerder gevoerde zijn procedure besproken en gewogen.
[…]
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het standpunt van verweerder dat appellante aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan […] de afwijzing van het verzoek […] in beginsel dragen. Dat is slechts anders indien het besluit om niet terug te komen op dit besluit evident onredelijk is. […] Nu appellante enkel herhaalt wat reeds in de vorige procedure, die heeft geleid tot ongegrondverklaring van het beroep, aan de orde is geweest, heeft appellante geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat verweerder in dit geval minder belang moet toekennen aan de rechtszekerheid dan aan het (financiële) belang van appellante. Van een evidente onredelijkheid is dan ook geen sprake."
3.1
Het beroep van de maatschap slaagt niet. Het College verwijst hiervoor, nu het herzieningsverzoek in grote lijn een doublure is van het eerdere herzieningsverzoek, in de eerste plaats naar zijn eerdere, hiervoor deels geciteerde uitspraken. Hij voegt er nog het volgende aan toe.
3.2
In haar verzoek wijst de maatschap op een telefoongesprek op 24 mei 2023 met een ambtenaar als de basis voor haar herzieningsverzoek. Uit de stukken van de maatschap van 16 september 2024 en 31 januari 2026 leidt het College af dat haar herzieningsverzoek mede berust op de door haar op grond van de Wet open overheid verkregen documenten, en een dierenartsverklaring uit 2017 en verslag van bacteriologisch onderzoek uit 2014.
3.3
De dierenartsverklaring en het bacteriologisch onderzoek had de maatschap kunnen inbrengen in de procedure over de vaststelling van het fosfaatrecht. Het gaat zodoende niet om nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De door de maatschap op grond van de Woo verkregen documenten missen betekenis voor dit geval.
3.4.1
Volgens de maatschap heeft de ambtenaar aan het einde van het telefoongesprek van 24 mei 2023 bevestigd dat de minister de knelgevallenregeling verkeerd toepast. Als bewijs heeft de maatschap drie nagenoeg woordelijk overeenstemmende verklaringen overgelegd van haar gemachtigde en haar twee (meeluisterende) maten, inhoudende voor zover van belang:
"Bij deze verklaring ik […] in het telefoongesprek niet te hebben aangegeven het oneens te zijn met de tekst/inhoud van artikel 23, lid 6 van de Meststoffenwet en dit artikel heb ik (heeft hij) niet als gewraakt aangemerkt
[…]
Dat tijdens het telefoongesprek overduidelijk is geworden:
- er verschil van uitleg is […] over de uitvoering van artikel 23, lid 6 Meststoffenwet;
- door [de ambtenaar] is aangegeven dat de […] uitvoering […] niet in overeenstemming is met artikel 23, lid 6 van de Meststoffenwet […]."
3.4.2
De betrokken ambtenaar ontkent zich in die zin te hebben uitgelaten.
3.4.3
Het College is het eens met de minister dat een gedachtewisseling met een ambtenaar op zich geen nieuw feit of omstandigheid is.
3.4.4
Voor zover de maatschap zich beroept op door de ambtenaar gewekt vertrouwen dat de minister haar herzieningsverzoek zou inwilligen, overweegt het College het volgende. Het is aan de maatschap om het bewijs bij te brengen dat de ambtenaar op 24 mei 2023 een toezegging heeft gedaan. In dat bewijs is de maatschap niet geslaagd. De verklaringen die zij als bewijs heeft ingebracht zijn daarvoor, voor zover begrijpelijk, onvoldoende.
3.5
Van evidente onredelijkheid is geen sprake, omdat de maatschap geen bijzondere feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot die conclusie zouden kunnen leiden.
4 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. I.C. Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
w.g. R.C. Stam w.g. I.C. Hof