ECLI:NL:CBB:2026:12

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
24/318
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mestboete en bezinklaag in de Meststoffenwet

Op 20 januari 2026 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een hoger beroep van een biologische varkenshouderij tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De zaak betreft een geschil over de opgelegde mestboetes wegens overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm in 2019. De minister had twee boetes opgelegd: één van € 5.258,- voor de overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 478 kilogram en een tweede van € 300,- voor het niet naar waarheid verstrekken van gegevens. De rechtbank Gelderland had het beroep van de varkenshouderij gegrond verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn, maar de overige gronden van het beroep verworpen. De rechtbank had de boetes met 10% gematigd, wat resulteerde in een totaalbedrag van € 5.002,20.

In hoger beroep richtte de varkenshouderij zich alleen nog tegen het oordeel van de rechtbank over de bezinklaag in de mestopslag. De varkenshouderij betoogde dat de inhoud van de bezinklaag onjuist was vastgesteld en vroeg om verdere matiging van de boete. Het College oordeelde dat de minister terecht geen rekening had gehouden met de bezinklaag, omdat deze niet was opgegeven door de varkenshouderij. Het College bevestigde dat de materiële bewijslast bij de varkenshouderij ligt en dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat de gebruiksnormen niet waren overschreden.

De varkenshouderij verzocht ook om verdere matiging van de boetes vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het College oordeelde dat de redelijke termijn van vier jaar niet was overschreden en dat er geen aanleiding was voor verdere matiging. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/318

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 op het hoger beroep van:

[naam]

(gemachtigde: P.J. Houtsma)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2024, kenmerk 22/1919, in het geding tussen
[naam]

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

(gemachtigde: mr. M. Leegsma)

Procesverloop in hoger beroep

[naam] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2024 (niet gepubliceerd).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
[naam] heeft nadere stukken ingediend.
Het College heeft de zaak op 13 oktober 2025 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Grondslag van het geschil

1.1
[naam] exploiteert een biologische varkenshouderij op een locatie in [woonplaats] . Zij heeft de mestopslag daar na een verbouwing in 2019 voor het eerst in gebruik genomen. Tot 2019 had [naam] ook een varkenshouderij in [plaats] .
1.2
Met het besluit van 16 maart 2022, heeft de minister twee boetes opgelegd. Volgens de minister heeft [naam] in 2019 de fosfaatgebruiksnorm overschreden met 478 kilogram. Daarvoor heeft de minister een boete opgelegd van € 5.258,-. De minister heeft hierbij een berekening gehanteerd, die staat in het document ‘Berekening gebruik meststoffen 2019’ met een toelichting in een ander document (boete 1). Ook heeft [naam] de gevraagde gegevens niet naar waarheid verstrekt. De minister heeft hiervoor een boete opgelegd van € 300,- (boete 2).

Uitspraak van de rechtbank

2.1
De rechtbank heeft het beroep van [naam] gegrond verklaard in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Voor het overige slaagde het beroep niet. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
2.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister de overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm op de juiste wijze heeft vastgesteld. Het gaat niet om de totale omvang van de bezinklaag, maar om de jaarlijkse aangroei ervan.
2.3
Op de dag van de uitspraak was de termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure met meer dan een half jaar, maar minder dan één jaar overgeschreden. Daarom heeft de rechtbank de boetes gematigd met 10%. De rechtbank heeft boete 1 voor het overtreden van de fosfaatgebruiksnorm gematigd tot een bedrag van € 4.732,20. Boete 2 die ziet op het niet naar waarheid verstrekken van de gevraagde gegevens, is gematigd tot een bedrag van € 270,-. Het totaalbedrag van de boetes bedraagt € 5.002,20.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Standpunt partijen
3.1
Zoals [naam] ter zitting heeft toegelicht, richt het hoger beroep zich alleen nog tegen het oordeel van de rechtbank over de bezinklaag. [naam] vindt dat de inhoud van de bezinklaag in de eindvoorraad voor de locatie in [woonplaats] op onjuiste wijze is bepaald. Ook verzoekt [naam] om verdere matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn. De andere gronden heeft [naam] op de zitting ingetrokken.
3.2
De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zijn stellingen zullen, voor zover nodig, hierna bij de beoordeling van de hogerberoepsgronden worden besproken.
Bezinklaag
4.1
De materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen ligt volgens het systeem van de Meststoffenwet (Msw) primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen ( [naam] dus in dit geval). Om een geslaagd beroep te kunnen doen op de opheffing van het verbod om meststoffen in de bodem te brengen, zal [naam] aannemelijk moeten maken dat de gebruiksnormen niet door haar zijn overschreden.
4.2
Volgens de minister is terecht geen rekening gehouden met een bezinklaag in de mestopslag in [woonplaats] , omdat deze niet is opgegeven door [naam] . [naam] heeft hiertegenover gesteld dat het in 2019 niet gebruikelijk was om een bezinklaag op te geven en dat ook bij nieuwe putten, zoals bij de put van [naam] op de locatie in [woonplaats] , al een bezinklaag ontstaat.
4.3
Het College stelt vast dat [naam] geen bezinklaag heeft opgegeven voor de locatie in [woonplaats] . In antwoord op vragen van een medewerker handhaving heeft de gemachtigde van [naam] in een e-mail van 2 juni 2021 het volgende geschreven:
“3 Cliënte constateerde dat de bezinklaag in de zuigleeg opgeleverde putten in [plaats] leidde tot een grote overschrijding in 2018.
Dit probleem heeft cliënte in 2018 voor zich uit geschoven, met de terechte vraag uwerzijds waarom deze nog vermeld stond.
In 2019 is er toch maar voor gekozen deze voorraad niet meer op te geven en maar te zien 'waar het schip strandt'.
Het bedrijf in [woonplaats] is in 2018 omgeschakeld naar biologische varkens.
Dat betekent dat in 2018 alle putten nieuw zijn aangelegd. Alle putten zijn buiten gesitueerd, zijn onoverdekt en bevatten dus ook veel regenwater. Het ligt niet voor de hand dat er in [woonplaats] sprake is van een echte bezinklaag.
Alle drachtige zeugen worden volledig op vaste mest gehouden en de overige varkens grotendeels met een mestput buiten.
Er zijn in [woonplaats] geen oude putten met bezinklagen.”
4.4
Naar het oordeel van het College heeft de minister bij het vaststellen van de eindvoorraad mest in 2019 mogen uitgaan van de door [naam] verstrekte gegevens over de bezinklaag in de mestput op de locatie in [woonplaats] . Dat er geen bezinklaag zou zijn opgegeven, omdat dit niet gebruikelijk was, volgt het College niet. [naam] heeft namelijk eerder wel een bezinklaag opgegeven voor een mestopslag op de locatie in [plaats] . Bovendien heeft de gemachtigde van [naam] in genoemde e-mail van 2 juni 2021 bevestigd dat er geen bezinklaag was op deze locatie.
4.5
De hogerberoepsgrond dat de minister in zijn berekening rekening had moeten houden met de bezinklaag slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
5.1
[naam] heeft verzocht om een verdere matiging van de boetes vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
5.2
In bestraffende zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Verder geldt als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als niet binnen twee jaar, nadat de termijn is aangevangen, door de rechtbank uitspraak is gedaan. De redelijke termijn van de rechterlijke behandeling in hoger beroep dient ook op twee jaar te worden gesteld, zodat de redelijke termijn in totaal vier jaar beslaat. Het College zal hieronder beoordelen in hoeverre er reden is om de door de rechtbank gematigde boete verder te matigen.
5.3
De redelijke termijn van vier jaar is aangevangen op 28 juni 2021 (voornemen tot boeteoplegging). Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met minder dan zes maanden overschreden. De rechtbank heeft de boetes al met 10% gematigd (zie ook onder 2.3), zodat er geen aanleiding bestaat voor een verdere matiging van de boetes.
Slotsom
6 Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. M.L. Noort en mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
w.g. B. Bastein w.g. C.S. de Waal