De maatschap exploiteert een melkveebedrijf en vroeg subsidie aan op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus). De minister kende een lagere subsidie toe dan aangevraagd, omdat de oppervlakte van de voergang niet werd meegerekend als onderdeel van het dierenverblijf.
De maatschap stelde dat de voergang, afgesloten met een oprolbaar ventilatiekleed dat fungeert als buitenmuur, wel degelijk onderdeel is van het dierenverblijf en daarom meegeteld moet worden. De minister hield vast aan zijn standpunt dat de voergang buiten het dierenverblijf valt, omdat deze in de buitenlucht ligt en niet omsloten wordt door muren.
Het College oordeelt dat het ventilatiekleed als buitenmuur moet worden gezien en dat de voergang daarmee onderdeel is van het dierenverblijf. De minister heeft de voergang ten onrechte niet meegerekend bij de subsidieberekening. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelt het College de minister in de proceskosten van de maatschap, inclusief kosten voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar die de minister eerder ten onrechte niet had toegekend.