ECLI:NL:CBB:2025:662

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
23/1975
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van bezwaar inzake handhavingstraject Wet Dieren

In deze zaak heeft [naam 1] beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn bezwaar door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De minister had in een brief van 11 juli 2023 medegedeeld dat zijn voorstel om overtredingen in onderling overleg te beëindigen, ingetrokken werd. Dit volgde op een handhavingstraject dat in 2021 was gestart naar aanleiding van overtredingen geconstateerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De minister oordeelde dat de brief geen besluit was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat deze geen rechtsgevolg met zich meebracht. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft de zaak behandeld en geconcludeerd dat de brief van de minister feitelijk van aard was en geen wijziging in de rechtspositie van [naam 1] teweegbracht. Het College heeft vastgesteld dat er geen sprake was van een op rechtsgevolg gerichte publiekrechtelijke rechtshandeling, waardoor het bezwaar van [naam 1] terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De uitspraak werd gedaan op 16 december 2025, waarbij het beroep van [naam 1] ongegrond werd verklaard en de minister geen proceskosten hoefde te vergoeden.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1975

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] ( [naam 1] )

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. E.M. Scheffer)

Procesverloop

Met de brief van 11 juli 2023 heeft de minister [naam 1] geïnformeerd dat het voorstel van de minister om de overtredingen met betrekking tot de dieren van [naam 1] in onderling overleg met [naam 1] te beëindigen, niet meer geldt.
Met het besluit van 23 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen de brief van 11 juli 2023 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[naam 1] heeft nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 2 september 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , de gemachtigde van de minister, N.J.G. Welman en [naam 2] .

Overwegingen

Inleiding
1. De minister is in 2021 een handhavingstraject gestart tegen [naam 1] naar aanleiding van een inspectie door toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de overtredingen die toen zijn geconstateerd. Gedurende dat traject heeft [naam 1] verzocht om mediation. Op 16 januari 2023 en 6 februari 2023 hebben daarom gesprekken plaatsgevonden tussen medewerkers van de NVWA en [naam 1] . Deze gesprekken hadden als doel op minnelijke wijze het geschil op te lossen en de overtredingen met betrekking tot de dieren van [naam 1] te beëindigen. Hiertoe heeft de NVWA voorstellen gedaan. Daaraan waren als voorwaarden verbonden, onder andere, dat [naam 1] een Uniek Bedrijfsnummer (UBN) aanvraagt bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en dat hij een registratie aanvraagt bij Rendac voor de afvoer van kadavers. Daarbij had de minister voorgesteld dat de door [naam 1] verbeurde dwangsommen zouden komen te vervallen als hij aan deze voorwaarden voldoet. Nadat [naam 1] op 20 februari 2023 telefonisch kenbaar had gemaakt dat hij uitvoering wilde geven aan die voorwaarden, heeft de minister ruim vier maanden later geconstateerd dat [naam 1] nog geen UBN had aangevraagd. Gelet op dit tijdsverloop had de minister er geen vertrouwen meer in dat resultaat kon worden bereikt via deze weg en heeft hij zijn voorstel om de overtredingen in onderling overleg te beëindigen met de brief van 11 juli 2023 ingetrokken. Daarna heeft de minister het handhavingstraject tegen [naam 1] hervat. [naam 1] is het daarmee niet eens en heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 11 juli 2023. De minister heeft daarop geoordeeld dat de brief van 11 juli 2023 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat deze brief niet op rechtsgevolg is gericht. Deze brief bevat namelijk geen wijziging in rechten, plichten of bevoegdheden. De minister heeft het bezwaar van [naam 1] daarom in het bestreden besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en zijn bezwaargronden niet inhoudelijk behandeld. Omdat [naam 1] het daarmee niet eens is, heeft hij beroep ingesteld bij het College.
Standpunt [naam 1]
2 [naam 1] voert aan dat de brief van 11 juli 2023 wel een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat zijn bezwaar inhoudelijk had moeten worden behandeld. Dat de minister zijn bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, vindt hij dus niet juist. Ook tijdens de gesprekken op 16 januari 2023 en 6 februari 2023 zijn volgens [naam 1] diverse besluiten als bedoeld in de Awb genomen, waarvan hij nadien geen brieven heeft ontvangen, waardoor hij hiertegen geen bezwaar heeft kunnen maken. Hij vindt daarom dat de NVWA niet conform de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.
Beoordeling
3.1
Het College dient te beoordelen of de minister het bezwaar van [naam 1] , gericht tegen de brief van 11 juli 2023, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe is van belang dat uit artikel 8:1 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, volgt dat alleen ontvankelijk bezwaar kan worden gemaakt tegen een appellabel besluit. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dit betekent dat de schriftelijke beslissing van het bestuursorgaan de bedoeling moet hebben een bepaald rechtsgevolg – dat wil zeggen een wijziging in de rechtspositie van een betrokkene – tot stand te brengen.
3.2
Het College is van oordeel dat de brief van 11 juli 2023 geen besluit is in de zin van de Awb omdat die brief geen wijziging brengt in de rechtspositie van [naam 1] . Met de brief van 11 juli 2023 wordt [naam 1] erover geïnformeerd dat het voorstel van de minister om de overtredingen in onderling overleg te beëindigen, wordt ingetrokken, omdat [naam 1] ruim vier maanden na het gesprek van 20 februari 2023 nog niet had voldaan aan de voorwaarden van dat voorstel. Deze mededeling is feitelijk van aard. [naam 1] stelt ook niet dat hij wel aan de voorwaarden van het voorstel had voldaan. Hij heeft nooit een UBN aangevraagd. Door de brief van 11 juli 2023 verandert de rechtspositie van [naam 1] in publiekrechtelijke zin dan ook niet. Van een op rechtsgevolg gerichte publiekrechtelijke rechtshandeling is in dit geval daarom geen sprake. Dit betekent dat de brief van 11 juli 2023 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hetzelfde geldt voor wat er tijdens de gesprekken op 16 januari 2023 en 6 februari 2023 door medewerkers van de NVWA is gezegd in het kader van het komen tot een oplossing met [naam 1] . Het gaat hier eveneens om mededelingen die feitelijk van aard zijn en van een op rechtsgevolg gerichte publiekrechtelijke rechtshandeling is evenmin sprake. Er kon dan ook geen bezwaar worden gemaakt tegen de brief van 11 juli 2023 en de mededelingen van medewerkers van de NVWA tijdens de gesprekken op 16 januari 2023 en 6 februari 2023. Uit het voorgaande volgt dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Conclusie
4 Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [naam 1] geen gelijk krijgt. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. M.M. Smorenburg en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. N.A. van Opbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
w.g. H.L. van der Beek w.g. N.A. van Opbergen