Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2025 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] (onderneming)
(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie)
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (minister)
Procesverloop
Overwegingen
Het College beoordeelt vervolgens eerst de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de beleidsregel waarmee de minister de vergoeding heeft vastgesteld. Daarbij gaat het over de berekening van de geleden inkomensschade (onder 5), de overbruggingsvergoeding voor het vinden van vervangende arbeid voor de ondernemers (onder 6), de vergoeding voor het niet kunnen exporteren van fokteven (onder 7). Onder 8 wordt beoordeeld of de onderneming ook aanspraak maakt op vergoeding voor de zogenoemde voergeldlocaties. Daarbij beoordeelt het College tevens de beroepsgronden over de toepassing van de beleidsregel op de onderneming en afwijking van de beleidsregel. Onder 9 beoordeelt het College de beroepsgronden tegen de korting van 15% op de vergoeding op grond van “normaal maatschappelijk risico”. Aan het slot (onder 10) komen de conclusies.
2.3 Tegen het verbod in de Wvp op het houden en fokken van pelsdieren is een gerechtelijke procedure gevoerd. Bij het arrest van 16 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2888) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de Wvp rechtmatig is. Vanwege de ruime overgangsrechtelijke termijn (11 jaar) was geen financiële vergoeding vereist.
De procedure
Normaal maatschappelijk risico
Conclusies
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen 16 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden;