Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2025 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie)
de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (minister)
Procesverloop
Overwegingen
Het College beoordeelt vervolgens eerst de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de beleidsregel waarmee de minister de vergoeding heeft vastgesteld. Daarbij gaat het over de berekening van de geleden inkomensschade (onder 5), de vergoeding voor het niet kunnen exporteren van fokteven (onder 6) en de aftrek die is toegepast bij bedrijven die in 2020 zijn geruimd of leegstonden (onder 7). Daarbij beoordeelt het College tevens de beroepsgronden over de toepassing van de beleidsregel op de onderneming en afwijking van de beleidsregel. Onder 8 beoordeelt het College de beroepsgronden tegen de korting van 15% op de vergoeding op grond van “normaal maatschappelijk risico”. Aan het slot (onder 9) komen de conclusies.
De procedure
5.8 De onderneming heeft gesteld dat zij in aanmerking moet komen voor een hogere waardevergoeding omdat op haar bedrijf sprake was van een afwijkende samenstelling en verhouding van het nertsenbestand en zij daardoor een hogere opbrengst dan gemiddeld realiseerde. Om met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb in afwijking van artikel 5 van Pro de beleidsregel in aanmerking te komen voor een hogere waardevergoeding, moet de onderneming aantonen dat zij in de jaren 2021-2024 meer schade heeft geleden ten gevolge van de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming dan zij op grond van artikel 4 van Pro de beleidsregel vergoed heeft gekregen. Een onderneming kan een hogere inkomensschade aannemelijk maken aan de hand van jaarstukken, zoals een balans en winst- en verliesrekeningen over een langere periode voorafgaand aan het vervroegde verbod. Een hogere opbrengst per pels of een van de KWIN-kengetallen afwijkende kostenstructuur is dus op zichzelf onvoldoende om aanspraak te maken op een hogere vergoeding op basis van een hogere opbrengst per fokteef. De waardevergoeding per fokteef is namelijk vastgesteld aan de hand van verschillende componenten, waarvan de pelsprijs er slechts één is. De onderneming heeft geen bewijs, zoals bijvoorbeeld winst- en verliesrekeningen, overgelegd waaruit een hogere opbrengst valt af te leiden, zodat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat de opbrengst per fokteef structureel hoger was dan € 51,-. Wel heeft de minister in enkele gevallen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om af te wijken van het bedrag van € 51,- waardevergoeding per fokteef, omdat aannemelijk is gemaakt dat, los bezien van de overige onderdelen van de vergoeding, de inkomensschade meer bedraagt dan driemaal € 51,- per fokteef.
Conclusies
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen 16 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden;