Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2025:409

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
25/541
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening teruggave van zes honden zonder voorafgaande betaling kosten bewaring

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om een aantal honden terug te krijgen die in bewaring zijn genomen door de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van onverwijlde spoed omdat verzoekster anders al haar honden dreigt kwijt te raken.

Eerder was een verzoek om teruggave van veertien honden afgewezen. De staatssecretaris stelde als voorwaarde dat verzoekster eerst een bedrag van tienduizenden euro's aan opvangkosten moest betalen, wat de voorzieningenrechter onredelijk achtte gezien het lage inkomen van verzoekster. Tijdens de zittingen is geprobeerd tot een minnelijke schikking te komen, maar dit is niet gelukt.

De voorzieningenrechter bepaalt dat zes honden, drie aan verzoekster en drie aan haar dochter, worden teruggegeven onder voorwaarden dat de honden op opgegeven adressen verblijven en dat het behandelplan van de dierenarts wordt gevolgd. De overige honden mogen door de staatssecretaris aan derden worden vrijgegeven. De teruggave moet uiterlijk 1 augustus 2025 plaatsvinden.

Uitkomst: De voorzieningenrechter beveelt de teruggave van zes honden aan verzoekster en haar dochter zonder voorafgaande betaling van kosten bewaring.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/541

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechtervan 30 juli 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] (verzoekster) die met haar gemachtigde mr. C. Karlas op de zittingen van 15 juli 2025 en 30 juli 2025 is verschenen
en
de
staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurvoor wie mr. Z. Türk en [naam 2] op de zittingen van 15 juli 2025 en 30 juli 2025 en mr. P. Kooijman op de zitting van 15 juli 2025 zijn verschenen.
Voorzieningenrechter : mr. R.C. Stam
Griffier : mr. J.W.E. Pinckaers

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe als hierna vermeld:
Zes honden worden teruggegeven; drie aan verzoekster en drie aan haar dochter.
Het gaat om de honden met de volgende namen en chipnummers: [naam 3] ( [nummer 1] ), [naam 4] ( [nummer 2] ), [naam 5] ( [nummer 3] ), [naam 6] ( [nummer 4] ), [naam 7] ( [nummer 5] ) en [naam 8] ( [nummer 6] ).
Aan de teruggave zijn slechts de volgende twee voorwaarden verbonden:
De honden moeten verblijven op de opgegeven adressen van verzoekster en haar dochter, niet meer dan drie honden per adres.
Verzoekster en haar dochter houden zich voor elke hond aan het behandelplan zoals dat is gemaakt door de dierenarts van de staatssecretaris en uitgewerkt door de eigen dierenarts. Zij volgen de eigen dierenarts in wat die zegt dat ze moeten doen.
De honden moeten uiterlijk op vrijdag 1 augustus 2025 bij verzoekster en haar dochter zijn teruggebracht.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af. Dat betekent dat de staatssecretaris de overige in bewaring genomen honden mag vrijgeven aan derden.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarvan is hier sprake omdat verzoekster, gelet op het navolgende, al haar honden dreigt kwijt te raken.
2 Met een uitspraak van 29 april 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:276) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om te bepalen dat veertien bij haar in bewaring genomen honden direct aan haar moeten worden teruggegeven, afgewezen.
3 De staatssecretaris heeft verzoekster met een brief van 30 juni 2025 bericht dat zij de honden kan terugkrijgen als de dieren gezond zijn, zij een geschikte (alternatieve) plek heeft voor de dieren en zij vóór 7 juli 2025 € 43.086,60 aan geschatte opvangkosten betaalt. De staatssecretaris heeft dat bedrag voorafgaand aan de laatste zitting verlaagd naar € 8.534,80,-.
4 Tijdens de eerste zitting is beproefd of partijen tot overeenstemming konden komen. Verzoekster heeft aangegeven genoegen te nemen met de terugkeer van drie honden in haar huis, drie honden in het huis van haar buurvrouw en drie honden (per augustus 2025) in het huis van haar dochter. De andere honden zou ze ergens anders onderbrengen of daar afstand van doen. De voorzieningenrechter heeft tijdens die zitting aangegeven dat hij het irreëel vindt dat de staatssecretaris voor de teruggave van de honden aan verzoekster, die een laag inkomen heeft, als voorwaarde stelt dat zij eerst de gemaakte opvangkosten moet vergoeden. Die voorwaarde maakt in het geval van verzoekster de teruggave feitelijk onmogelijk en laat de kosten alleen verder oplopen. De staatssecretaris mag wel kosten van bewaring op verzoekster verhalen, maar niet in één keer als voorwaarde voor de teruggave van de honden. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek geschorst zodat partijen een minnelijke schikking konden uitwerken. Partijen zijn daar niet in geslaagd. Het onderzoek ter zitting is hervat op 30 juli 2025.
5 Tijdens de tweede zitting is gebleken dat de honden die verzoekster heeft opgegeven voor teruggave volgens de staatssecretaris voldoende gezond zijn om teruggegeven te worden en dat er voor die honden in de opvang (nog uit te werken) behandelplannen zijn gemaakt. Verzoekster heeft aangegeven dat haar dierenarts de dieren graag wil zien en haar kan uitleggen wat de behandelplannen precies inhouden en dat zij zich daaraan zal houden. Verder heeft verzoekster aannemelijk gemaakt dat haar dochter vanaf heden anderhalf jaar in de woning van een oom mag wonen die een wereldreis gaat maken en ook uitzicht heeft op eigen woonruimte voor haar en haar kind. Gelet daarop staat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niets aan in de weg dat aan verzoekster en haar dochter elk drie honden volgens hun eigen keuze worden teruggegeven.
R.C. Stam w.g. J.W.E. Pinckaers
de voorzieningenrechter
is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op: