Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om een aantal honden terug te krijgen die in bewaring zijn genomen door de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van onverwijlde spoed omdat verzoekster anders al haar honden dreigt kwijt te raken.
Eerder was een verzoek om teruggave van veertien honden afgewezen. De staatssecretaris stelde als voorwaarde dat verzoekster eerst een bedrag van tienduizenden euro's aan opvangkosten moest betalen, wat de voorzieningenrechter onredelijk achtte gezien het lage inkomen van verzoekster. Tijdens de zittingen is geprobeerd tot een minnelijke schikking te komen, maar dit is niet gelukt.
De voorzieningenrechter bepaalt dat zes honden, drie aan verzoekster en drie aan haar dochter, worden teruggegeven onder voorwaarden dat de honden op opgegeven adressen verblijven en dat het behandelplan van de dierenarts wordt gevolgd. De overige honden mogen door de staatssecretaris aan derden worden vrijgegeven. De teruggave moet uiterlijk 1 augustus 2025 plaatsvinden.