De appellant, een garnalenvisser met een kotter van 300 PK, vroeg subsidie aan op grond van de subsidiemodule Overbrugging voor de visserij. De minister wees de aanvraag af omdat het vissersvaartuig in 2022 slechts 59 visdagen had, terwijl de regeling een minimum van 104 visdagen vereist. De appellant voerde aan dat dit vereiste onevenredig is voor vissers met kleine kotters en dat hij door omstandigheden buiten zijn schuld niet aan het vereiste voldeed.
De minister stelde dat de regeling bewust eenvoudig is gehouden zonder maatwerk of hardheidsclausule, en dat de 104 dagen zijn vastgesteld om zeker te stellen dat de subsidie alleen vissers met substantiële visserijactiviteiten bereikt. De minister betwistte de omstandigheden van de appellant en wees op het ondernemersrisico van de motorvervanging.
Het College oordeelde dat de appellant niet tot de kleine kotters behoort en dat het vereiste van 104 visdagen passend is voor zijn vlootsegment. De omstandigheden van de appellant zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt of behoren tot zijn ondernemersrisico. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.