Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2025:370

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
11 juli 2025
Zaaknummer
24/208
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:25 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag na loting wegens overschrijding subsidieplafond

De zaak betreft een beroep van een melkveehouderijbedrijf tegen de afwijzing van een subsidieaanvraag op grond van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies. De minister wees de aanvraag af omdat het subsidieplafond was bereikt en de aanvraag via loting niet hoog genoeg was geëindigd om inhoudelijk te worden beoordeeld.

De aanvrager stelde dat de minister niet tijdig had beslist, onjuiste informatie had verstrekt over de beoordeling en dat het lotingssysteem onrechtvaardig was. Hij vorderde dat de subsidie alsnog zou worden toegekend. Het College overwoog dat de minister duidelijk had moeten zijn over de procedure en dat de loting en afwijzing op grond van artikel 4:25, lid 2, Awb rechtmatig waren.

Hoewel de communicatie van de minister aan de aanvrager onduidelijk was en de beslistermijn te lang duurde, leidde dit niet tot een rechtmatigheidsprobleem van het besluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/208

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen

[naam] Melkvee C.V., te [woonplaats] ([naam])

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. N. Adams)

Procesverloop

Met het besluit van 27 oktober 2023 heeft de minister de aanvraag van [naam] om subsidie op grond van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (Regeling) afgewezen.
Met het besluit van 12 januari 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het tegen dat besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[naam] heeft nadere stukken ingediend.
De minister heeft een stuk nagezonden.
De zitting was op 26 maart 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

1. [naam] heeft subsidie aangevraagd op grond van de Investeringsregeling POP 3+ 2022 in titel 4.7 van de Regeling, voor de aanschaf van een mobiel elektrisch kuilafdeksysteem (aanvraag).
2 De minister heeft de aanvraag met het besluit van 27 oktober 2023 als volgt afgewezen:
“Er zijn veel aanvragen binnengekomen voor deze subsidie. De aangevraagde subsidie is hoger dan het budget. Dat betekent dat wij aanvragen moeten afwijzen. Hiervoor zijn eerst alle aanvragen gerangschikt op duurzaamheidscore. Daarna hebben wij geloot. Uw aanvraag is in deze loting helaas niet hoog genoeg geëindigd op de rangschikkingslijst. Derhalve komt u niet in aanmerking voor de subsidie. Ik heb uw aanvraag niet op inhoud beoordeeld, omdat deze niet hoog genoeg stond in de rangschikkingslijst. Dat betekent dat ik niet heb gekeken of uw aanvraag aan de voorwaarden voldoet.”
3 [naam] heeft in beroep aangevoerd dat de minister niet tijdig op zijn aanvraag heeft beslist, hem steeds te laat heeft bericht over verlenging van de beslistermijn en dat de minister, in correspondentie over de aanvraag en verdaging van de beslistermijn, in strijd met de werkelijkheid heeft doen voorkomen alsof zijn aanvraag inhoudelijk zou worden beoordeeld. De minister heeft geloot voor de subsidieverlening. [naam] vindt het overschrijden van de beslistermijn, de onjuiste informatie en het loten voordat zijn aanvraag inhoudelijk was beoordeeld, niet kunnen. Hij vindt dat de bestuursrechter de minister daarop moet aanspreken. Burgers moeten ook altijd alles op tijd en correct aanleveren. De consequentie moet volgens hem zijn dat hem de subsidie wordt verleend.

Beoordeling

4.1
De wijze waarop de minister de beschikbare subsidiegelden heeft verdeeld, als hiervoor onder 2 vermeld, is niet in geschil. De minister heeft ter zitting verklaard dat in het besluit van 27 oktober 2023 duidelijker had moeten staan dat eerst is geloot en daarna alleen die aanvragen inhoudelijk zijn beoordeeld die gelet op hun rangschikking na loting en het subsidieplafond gehonoreerd konden worden. Er zijn 4102 aanvragen ingediend. De aanvraag van [naam] heeft door loting plaats 363 gekregen. Het subsidieplafond was bereikt na toekenning van 202 aanvragen. Daarom is de minister aan een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van [naam] niet meer toegekomen en is deze afgewezen op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.
4.2
[naam] vindt dat hij uit de aan hem gerichte e-mail van RVO van 20 oktober 2023, heeft mogen begrijpen dat zijn aanvraag wel inhoudelijk zou worden beoordeeld. In die e-mail staat: “Van de 4102 binnengekomen subsidieaanvragen zijn we nu de laatste tientallen aan het beoordelen. Daar hoort uw subsidieaanvraag ook bij.” De minister heeft in het bestreden besluit vermeld en ter zitting verklaard dat daarmee is bedoeld dat na de loting nog niet meteen duidelijk was hoeveel aanvragen na beoordeling nog zouden uitvallen en of de aanvraag van [naam] wellicht toch nog binnen het subsidieplafond kon worden gehonoreerd. In het andersluidende standpunt van [naam], alsook in zijn standpunt dat hier sprake is van één van de vele fouten die de overheid in de correspondentie met hem heeft gemaakt ook in kwesties die buiten de omvang van dit geding vallen, ziet het College geen aanleiding voor het oordeel dat de subsidie alsnog aan [naam] moet worden verleend. Hoewel de minister bedoelde e-mail duidelijker had kunnen formuleren, omdat de e-mail inderdaad ook zo kan worden gelezen dat de aanvraag nog inhoudelijk zal worden beoordeeld, doet dat er in dit geding verder niet toe. [naam] heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat hij uit die e-mail niet heeft afgeleid dat hij er op mocht vertrouwen dat de subsidie aan hem zou worden verleend, omdat dat nog moest worden beoordeeld. Voor zover in de stelling van [naam] al een beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gelezen slaagt dit dan ook niet. Overigens biedt zijn stelling over de onduidelijke correspondentie, wat daar ook van zij, geen grondslag voor het alsnog toekennen van de subsidie.
4.3
Het College begrijpt dat het voor [naam] te lang heeft geduurd voordat op zijn aanvraag is beslist en ziet dat uitstelbrieven een aantal malen te laat aan hem zijn verstuurd. Dat heeft echter geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit. Ook de lange beslistermijn en de te late verzending van uitstelbrieven maken niet dat aan [naam] om die reden subsidie moet worden verleend, zoals hij betoogt. Daarvoor is geen grondslag aan te wijzen.
5 Het beroep is ongegrond.
6 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. H.S.J. Albers en mr. M.J. Jacobs,
in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2025.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. J.W.E. Pinckaers