De zaak betreft een beroep van een melkveehouderijbedrijf tegen de afwijzing van een subsidieaanvraag op grond van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies. De minister wees de aanvraag af omdat het subsidieplafond was bereikt en de aanvraag via loting niet hoog genoeg was geëindigd om inhoudelijk te worden beoordeeld.
De aanvrager stelde dat de minister niet tijdig had beslist, onjuiste informatie had verstrekt over de beoordeling en dat het lotingssysteem onrechtvaardig was. Hij vorderde dat de subsidie alsnog zou worden toegekend. Het College overwoog dat de minister duidelijk had moeten zijn over de procedure en dat de loting en afwijzing op grond van artikel 4:25, lid 2, Awb rechtmatig waren.
Hoewel de communicatie van de minister aan de aanvrager onduidelijk was en de beslistermijn te lang duurde, leidde dit niet tot een rechtmatigheidsprobleem van het besluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.