De onderneming heeft een subsidie aangevraagd op grond van de Tijdelijke subsidieregeling vermindering gevolgen Brexit voor de visserij voor het saneren van een vissersvaartuig. De minister verleende de subsidie met een verleningsbesluit, waarin onder meer werd bepaald dat de visserijcontingenten op het vaartuig en op naam van de onderneming komen te vervallen zonder compensatie.
De onderneming betwistte dit en stuurde een brief, die door de minister als bezwaarschrift werd aangemerkt, maar omdat de onderneming niet reageerde op een verzoek om te specificeren tegen welk besluit het bezwaar was gericht, verklaarde de minister het bezwaar niet-ontvankelijk. Vervolgens stelde de minister de subsidie vast conform het verleningsbesluit en wees het bezwaar tegen dit vaststellingsbesluit af.
Het College oordeelt dat het verleningsbesluit, waartegen geen bezwaar is gemaakt, in rechte onaantastbaar is geworden. De voorwaarden en verplichtingen daarin zijn bindend en kunnen niet in een latere procedure ter discussie worden gesteld. De onderneming heeft bewust geen bezwaar gemaakt, waardoor zij het risico draagt van de vaststelling zoals die is gedaan. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. De fiscale vraag over vrijstelling van inkomstenbelasting behoort niet tot de bevoegdheid van de minister maar van de belastingrechter.