Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2025:214

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
1 april 2025
Publicatiedatum
27 maart 2025
Zaaknummer
23/1529, 23/1587 en 23/1588
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbevenredigheidsbeginselWet open overheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 ongegrond verklaard

De ondernemer heeft verzet aangetekend tegen de eerdere uitspraak van het College waarin zijn pro-forma-aanvragen voor subsidies op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL1) en de TVL voor Q4 2020 en Q2 2021 werden afgewezen.

Het verzet betrof de stelling dat de ondernemer wel contact had gehad met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) tijdens de aanvraagperioden en dat de afwijzing in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, mede vanwege medische omstandigheden die hem belemmerden tijdig aanvragen in te dienen.

Het College stelde vast dat de ondernemer geen bewijs had geleverd van contact met RVO binnen de relevante aanvraagperioden en dat zijn ziekenhuisopname en medische rustperiode buiten deze termijnen vielen. Daarom werd geconcludeerd dat de eerdere uitspraak juist was en het verzet ongegrond verklaard.

De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 1 april 2025.

Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de subsidieaanvragen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 23/1529, 23/1587 en 23/1588

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2025 op het verzet van

[naam 1] , handelend onder de namen [naam 2]en
[naam 3] ,te [woonplaats] (ondernemer)
(gemachtigde: mr. P.M Poelman)

Procesverloop

De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 19 november 2024.
De zitting was op 17 maart 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen de ondernemer, bijgestaan door zijn gemachtigde, en [naam 4] , namens de minister van Economische Zaken.

Overwegingen

1. Met de uitspraak van 19 november 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:825) heeft het College geoordeeld dat het afwijzen van de pro-forma-aanvragen voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL1) voor de periode juni tot en met september 2020 en voor subsidies op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2020 en het tweede kwartaal (Q2) van 2021 niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het College heeft hierbij betrokken dat de ondernemer binnen de voor deze aanvragen geldende aanvraagperioden contact met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) had kunnen opnemen over de problemen waar hij bij het doen van zijn aanvragen tegenaan liep.
2 De ondernemer heeft in verzet aangevoerd dat hij bij de aanvragen voor een subsidie op grond van de TVL1 en de TVL contact heeft gehad met de RVO, waarbij hij kenbaar heeft gemaakt dat hij de aanvragen wilde indienen. Aan hem is toen meegedeeld dat hij niet in aanmerking kwam voor een subsidie. Via stukken die hij met een verzoek op grond van de Wet open overheid heeft opgevraagd, wil de ondernemer aannemelijk maken dat hij tijdens de aanvraagperioden contact had met de RVO. Daarnaast voert de ondernemer aan dat de afwijzing van de aanvragen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. In dat verband brengt de ondernemer naar voren dat hij op 13 januari 2021 met spoed naar het ziekenhuis is gebracht, omdat hij grote druk op zijn borst voelde en bijna geen adem kon halen. Onderzoek wees uit dat hij een ontstoken hartzakje had, hetgeen te wijten was aan stress.
3 Het College stelt vast dat de ondernemer geen stukken heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij in de hier geldende aanvraagperioden contact heeft gehad met de RVO over het doen van een aanvraag. Uit de stukken en de toelichting van de ondernemer op zitting maakt het College op dat de ondernemer niet op 13 januari 2021, maar op 14 februari 2021 vanwege hartproblemen opgenomen is geweest in het ziekenhuis en dat hij van zijn artsen het advies heeft gekregen om hierna een maand rust te houden. Deze periode valt buiten de aanvraagperioden waar het hier om gaat. Voor de subsidie op grond van de TVL1 liep de aanvraagperiode van 30 juni 2020 tot en met 30 oktober 2020. Voor de aanvragen voor een subsidie op grond van de TVL voor Q4 van 2020 liep de aanvraagperiode van 25 november 2020 tot en met 29 januari 2021 en voor Q2 van 2021 van 25 juni 2021 tot en met 20 augustus 2021. Het College begrijpt dat het een zware tijd is geweest voor de ondernemer waarin hij veel stress heeft ervaren. Maar dat hij vanwege medische redenen niet in staat was om de aanvragen binnen de daarvoor geldende aanvraagperioden te doen, is niet gebleken.
4 Het College komt tot de conclusie dat de ondernemer geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 19 november 2024 niet juist is. Dit betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. C.D.V. Efstratiades, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.D.V. Efstratiades