ECLI:NL:CBB:2025:181
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens condensvorming in levensmiddelenverwerkende ruimte
Het geschil betreft een boete opgelegd door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan [naam 1] wegens overtreding van voorschriften uit Verordening 852/2004 en de Wet dieren, specifiek vanwege condensvorming op plafonds in ruimten waar levensmiddelen worden verwerkt.
De rechtbank Rotterdam had de boete gematigd van €2.500,- naar €2.125,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelt het hoger beroep en bevestigt dat de minister ten onrechte een strengere norm toepaste dan de sinds 2020 gehanteerde minder strenge norm voor condensvorming.
Het College oordeelt dat de minder strenge norm van toepassing is en dat de overtreding is vastgesteld op basis van een deskundig rapport van de NVWA-toezichthouder. De mate van condensvorming was zodanig dat deze niet werd beperkt, wat een resultaatsverplichting betreft. De minister hoeft niet te onderzoeken welke constructiefouten daaraan ten grondslag liggen.
Verder wordt de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn verder gematigd tot €1.875,-. Het College vernietigt het deel van de uitspraak over de boetehoogte en stelt het boetebedrag definitief vast. Het griffierecht wordt terugbetaald aan [naam 1].
Uitkomst: Boete vastgesteld op €1.875,- wegens onvoldoende beperking van condensvorming, met terugbetaling van griffierecht.