ECLI:NL:CBB:2024:840
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- H. van den Heuvel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens schending rechtszekerheidsbeginsel
De onderneming diende op 11 mei 2021 een aanvraag in voor subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) over het eerste kwartaal van 2021. De minister verleende aanvankelijk de subsidie, maar trok deze later in omdat de onderneming volgens hem niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. Het bestreden besluit berustte op omzetcijfers gebaseerd op de aangiften omzetbelasting, terwijl de omzet in dit geval volgens artikel 2.2.2, zesde lid, van de TVL moest worden vastgesteld op basis van de financiële administratie vanwege omzet waarover geen BTW wordt afgedragen.
Het College constateerde dat de minister onjuiste omzetcijfers heeft gebruikt en dat het bestreden besluit daarmee in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verder oordeelde het College dat de minister ook voor Q1 2021 moet afwijken van de TVL en het omzetverlies moet bepalen op basis van de winst- en verliesrekening inclusief het bedrag aan onderhanden werk, conform eerdere uitspraken. Dit volgt uit het rechtszekerheidsbeginsel, omdat in andere subsidieperioden de omzet op deze wijze is vastgesteld.
De minister had per abuis mutaties van onderhanden werk meegenomen in de omzetberekening voor andere periodes, wat consistent werd toegepast. Het niet toepassen van deze correctie voor Q1 2021 is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het College verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de TVL-subsidie over Q1 2021 wordt vernietigd.