De onderneming, behorend tot een fiscale eenheid, diende één TVL-aanvraag in voor de gehele fiscale eenheid, in de veronderstelling dat de minister de omzet van alle verbonden vennootschappen zou meenemen bij de subsidie. De minister stelde echter alleen de omzet van de onderneming zelf vast en wees het bezwaar af.
Het College bevestigt dat de regeling voorschrijft dat per MKB-onderneming één aanvraag moet worden gedaan en dat de minister terecht alleen de omzet van de onderneming heeft betrokken. De onderneming kon geen bewijs leveren dat zij door de minister onjuist was geïnformeerd en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.
Verder oordeelt het College dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de onderneming niet op haar fout te wijzen, mede vanwege de geautomatiseerde afhandeling van aanvragen. Ook is geen sprake van een schrijnende situatie die afwijking van de regeling rechtvaardigt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar het College stelt vast dat de redelijke termijn voor de uitspraak is overschreden en veroordeelt de Staat tot betaling van € 500,- immateriële schadevergoeding aan de onderneming.