Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (ondernemer)
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Overwegingen
.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De ondernemer diende een subsidieaanvraag in voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister wees de aanvraag af omdat de berekende vaste lasten met € 1.499,76 net onder de vereiste drempel van € 1.500,- lagen. De ondernemer stelde dat afronding naar boven redelijk was en dat rekening gehouden moest worden met btw-vrijgestelde omzet die kostprijsverhogend werkt, waardoor het vaste lastenpercentage hoger zou moeten zijn.
De minister handhaafde het besluit en verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat het net niet voldoen aan de drempel geen grond is om af te wijken van de regeling. Het forfaitaire systeem van de TVL laat geen ruimte voor afwijkende berekeningen of afrondingen.
Het College bevestigde dat de regeling een forfaitair systeem hanteert waarbij de vaste lasten worden berekend als een percentage van de omzet in de referentieperiode. De geringe afwijking van de drempel rechtvaardigt geen afronding naar boven en het betoog over btw-vrijgestelde omzet is niet relevant voor de berekening.
Hoewel het onredelijk kan lijken dat een kleine afwijking leidt tot afwijzing, is dat geen schending van het evenredigheidsbeginsel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de subsidieaanvraag blijft in stand.
Uitkomst: De subsidieaanvraag voor het eerste kwartaal van 2022 wordt terecht afgewezen omdat de berekende vaste lasten niet voldoen aan het vereiste minimumbedrag van € 1.500,-.