Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2024 in de zaak tussen
[naam 1] te [woonplaats] (de onderneming)
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Overwegingen
De kern van de beoordeling
- De eerste weigeringsgrond is onvoldoende vertrouwen in de economische haalbaarheid van de activiteiten (artikel 23, onder e, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies).
- De tweede weigeringsgrond is het onvoldoende bijdragen van het project aan de doelstellingen van de subsidie (artikel 23, onder f, van het Kaderbesluit). Dit draait om de vraag of er in de toekomst voldoende markt is voor dit kraanschip.
- De derde weigeringsgrond is onvoldoende kwaliteit van het projectplan (artikel 4.2.20, eerste lid, onder b, van de Regeling). Daarbij gaat het erom dat er geen exploitant van een windpark deelneemt aan het project. Dat de minister deelname van een exploitant van een windpark nodig vindt, heeft te maken met voldoende zekerheid dat het kraanschip ook daadwerkelijk zal worden ingezet op de markt.
- De vierde weigeringsgrond is het onvoldoende aannemelijk zijn dat het project leidt tot kostenvoordelen bij de bouw en exploitatie van windmolenparken (artikel 4.2.20, eerste lid, onder a2°, van de Regeling). Dat heeft te maken met de vraag of het dagtarief dat de onderneming voor het kraanschip wil vragen realistisch is.
De onderbouwing van het dagtarief
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar;
- draagt de minister op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak;