Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2023 in de zaak tussen
[naam 2], te [woonplaats] (de ondernemer)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De ondernemer had subsidie aangevraagd voor het eerste kwartaal van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister stelde de subsidie aanvankelijk vast, maar corrigeerde dit later naar nihil omdat het omzetverlies van de ondernemer niet voldeed aan het vereiste van ten minste 30%.
De ondernemer voerde aan dat het omzetverlies per activiteit van haar onderneming, bestaande uit fysiotherapie en fysiofitness, moest worden berekend, omdat de omzetverliespercentages per activiteit sterk verschilden. Het College oordeelde echter dat de regeling uitgaat van de totale omzet zoals opgegeven bij de Belastingdienst en dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen verschillende activiteiten binnen één onderneming.
Het College benadrukte dat de regeling geen hardheidsclausule kent en dat uitzonderingen alleen in zeer bijzondere gevallen worden gemaakt. De ondernemer kon niet aantonen dat haar situatie een dergelijke uitzondering rechtvaardigde. Ook het argument dat de fysiofitnesslocatie open mocht blijven terwijl de praktijk moest sluiten, was niet relevant voor de beoordeling van het omzetverlies.
Daarom was de minister bevoegd en terecht om de subsidie op nihil vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen. Het beroep van de ondernemer werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de ondernemer wordt ongegrond verklaard en de subsidie blijft op nihil vastgesteld wegens onvoldoende omzetverlies.