Appellante, een vennootschap onder firma, diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021. Verweerder wees de aanvraag af omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van minimaal 30% omzetverlies en vaste lasten van ten minste €1.500,-. Appellante overhandigde een omzetbelastingaangifte over het eerste kwartaal van 2019, maar deze betrof de eenmanszaak van een van haar vennoten, niet de vennootschap zelf.
Verweerder stelde dat alleen aangiften van de aanvrager zelf kunnen worden meegenomen en dat appellante geen onderbouwing gaf voor het gebruik van de aangifte van de eenmanszaak. Appellante gaf aan dat de omzet abusievelijk in een verkeerde rubriek was opgegeven, maar had geen suppletieaangifte ingediend. Het College oordeelde dat de fout betrekking had op de aangifte van de eenmanszaak en dat deze niet als basis kon dienen voor de subsidieaanvraag van appellante.
Het College concludeerde dat appellante geen afdoende verklaring had gegeven voor het overleggen van de aangifte van een andere onderneming en dat er geen sprake was van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de regeling rechtvaardigen. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.