Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister),
en
College van Beroep voor het bedrijfsleven
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of de minister voldoende bewijs had geleverd dat er daadwerkelijk champost was aangevoerd bij het landbouwbedrijf van eiser in 2015. De rechtbank Zeeland-West-Brabant had geoordeeld dat de minister met de ingebrachte dagstaten onvoldoende bewijs had geleverd en dat de boete in overeenstemming met het boetebeleid Meststoffenwet met 50% moest worden gematigd.
De minister stelde in hoger beroep dat het bewijs wel degelijk toereikend was, onder meer op basis van dagstaten van chauffeurs en een NVWA-rapport. Het College oordeelde echter dat de enkele vermelding op dagstaten onvoldoende was om aan te tonen dat champost daadwerkelijk was aangevoerd, mede omdat eiser dit steeds ontkende en de ladingen niet in zijn administratie terugkwamen.
Daarnaast betwistte de minister de matiging van de boete met 50%, stellende dat niet aan de voorwaarden was voldaan, zoals openheid van zaken en het ontbreken van recidive. Het College vond dat de minister onvoldoende had onderbouwd dat eiser geen openheid van zaken had gegeven, ondanks wisselende standpunten van eiser.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij de boete werd vastgesteld op €7.029,-. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de boete van €7.029,- wordt bevestigd.