ECLI:NL:CBB:2023:253
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling subsidieregeling vaste lasten MKB COVID-19 en toepassing forfaitair percentage vaste lasten
De zaak betreft een beroep van een MKB-onderneming, actief als dansschool, tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat waarbij de subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) is vastgesteld. De onderneming betoogt dat het forfaitaire percentage vaste lasten van 18% dat voor haar SBI-code geldt, te laag is en dat een hoger percentage van 34% passend zou zijn, vergelijkbaar met sportscholen en ijsdansscholen. Zij stelt dat het forfaitaire systeem in strijd is met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel.
Het College overweegt dat de minister de subsidie terecht heeft vastgesteld op basis van de bij de SBI-code behorende vaste lastenratio, zoals bepaald in de regeling. Het forfaitaire systeem is gekozen vanwege uitvoerbaarheid en beperking van administratieve lasten, en het is inherent dat individuele ondernemingen hiervan kunnen afwijken. Dit leidt niet tot strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat de onderneming niet vergelijkbaar is met ondernemingen met een andere SBI-code, ook al verrichten zij deels vergelijkbare activiteiten.
Het College verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister de subsidie correct heeft vastgesteld. De proceskosten worden niet vergoed. De uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de subsidie TVL wordt ongegrond verklaard en het forfaitaire percentage vaste lasten van 18% voor dansscholen bevestigd.