1.2Het precieze wettelijke kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Aanleiding van deze procedure
2. De onderneming is actief in de amusementssector. Voor de onderneming is de SBI-code 73.11 (Reclamebureaus) opgenomen in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Uit de bijlage bij de TVL volgt dat het percentage vaste lasten voor de SBI-codes beginnend met 73 is vastgesteld op 14%. In de referentieperiode Q4 2019 bedroeg de omzet van de onderneming € 6.786,-.
Besluiten van de minister
3. Met het subsidiebesluit heeft de minister de aanvraag voor een subsidie op grond van de TVL afgewezen, omdat de onderneming niet voldoet aan de voorwaarde dat haar vaste lasten ten minste € 1.500,- bedragen. Die voorwaarde volgt uit artikel 2.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de TVL. In het bestreden besluit heeft de minister geconcludeerd dat de onderneming ook niet voldoet aan het vestigingsvereiste. In zijn verweerschrift heeft de minister vervolgens toegelicht dat aan de hand van de in beroep ingebrachte stukken, is gebleken dat de onderneming toch voldoet aan het vestigingsvereiste. De minister legt aan de afwijzing van de aanvraag daarom alleen nog ten grondslag dat de onderneming niet voldoet aan de voorwaarde dat zij ten minste € 1.500,- vaste lasten heeft.
Standpunt van de onderneming
4. De onderneming voert aan dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Bij de beoordeling van de aanvraag gaat de minister uit van een forfaitair percentage vaste lasten. Dit is niet juist en het leidt ertoe dat kleine ondernemingen niet ontvangen waar zij recht op hebben. Uit het jaarverslag van de onderneming, maar ook uit de aangifte omzetbelasting over het jaar 2020, volgt duidelijk dat de werkelijke vaste lasten aanzienlijk hoger zijn dan € 1.500,-.
Standpunt van de minister
5. De minister vindt dat hij de subsidieaanvraag terecht heeft afgewezen. De TVL is een generieke maatregel die het niet mogelijk maakt om volledig maatwerk te bieden. De vaste lasten van de onderneming worden daarom bij benadering bepaald. Dit wordt gedaan door de omzet in de referentieperiode te vermenigvuldigen met een gemiddelde verhouding tussen de vaste lasten en omzet, bepaald voor de sector waartoe de onderneming behoort. Het gevolg van de keuze voor deze berekeningssystematiek is dat geen rekening kan worden gehouden met de werkelijke vaste lasten. De minister vindt dit aanvaardbaar, omdat het belang van uitvoerbaarheid en het beperken van administratieve lasten zwaarder weegt. Door het College is in onder meer de uitspraak van 20 september 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:636) bevestigd dat de minister terecht geen rekening houdt met de werkelijke vaste lasten. Aan de hand van de omzetgegevens heeft de minister geconcludeerd dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de onderneming ten minste € 1.500,- vaste lasten heeft. De minister moet daarom op grond van artikel 2.5.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de TVL de aanvraag afwijzen. Beoordeling door het College
6. Het College is van oordeel dat de minister terecht geen rekening heeft gehouden met de werkelijke vaste lasten van de onderneming. Het College heeft al eerder vastgesteld (zie bijvoorbeeld de voormelde uitspraak van 20 september 2022) dat de regelgever heeft gekozen voor een forfaitair systeem. Voor een forfaitair systeem is gekozen om de TVL
uitvoerbaar te houden. De keuze van de regelgever voor een forfaitair systeem brengt met zich dat de werkelijke vaste lasten in voorkomende gevallen niet overeenkomen met de forfaitaire lasten, maar hoger of lager kunnen zijn. De TVL biedt echter geen ruimte om de vaste lasten op een andere wijze te berekenen. Dit betekent dat de minister op een juiste wijze de vaste lasten van de onderneming heeft bepaald. De uitkomst van de berekening is door de onderneming niet betwist. Naar het oordeel van het College heeft de minister dan ook terecht geconcludeerd dat de onderneming niet in aanmerking komt voor een subsidie. De enkele omstandigheid dat de onderneming niet voldoet aan de voorwaarden van de TVL, is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van onevenredige gevolgen. Het betoog faalt.
7. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.