ECLI:NL:CBB:2023:14
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten COVID-19 wegens niet voldoen aan vestigingsvereiste
Appellant heeft subsidie aangevraagd op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het tweede kwartaal van 2021. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat appellant niet voldeed aan het vestigingsvereiste, dat inhoudt dat de onderneming een vestiging moet hebben die fysiek gescheiden is van de privéwoning van de eigenaar met een eigen opgang of toegang, of een ander adres dan het privéadres.
Appellant stelde dat hij voldeed aan het vereiste omdat hij een kopie van de belastingaangifte over 2020 had overgelegd waaruit een werkruimte blijkt met fiscaal aftrekbare vaste lasten. Het College oordeelde echter dat het overleggen van deze gegevens niet automatisch betekent dat aan het vestigingsvereiste is voldaan. Verweerder heeft terecht getoetst of de onderneming daadwerkelijk voldeed aan het vestigingsvereiste zoals voorgeschreven in de Regeling.
Het College overwoog dat het vestigingsvereiste een bewust criterium is dat verband houdt met de hoogte van de vaste lasten en dat de regeling een forfaitair systeem hanteert waarbij rekening wordt gehouden met vaste lasten die niet alleen huisvestingskosten betreffen. Appellant kon niet aannemelijk maken dat zijn onderneming voldeed aan het vestigingsvereiste. Ook het argument dat eerder een tegemoetkoming op grond van een andere regeling (TOGS) was toegekend, bood geen grond voor toekenning.
Gelet op deze overwegingen verklaarde het College het beroep ongegrond en hoefde het bestuursorgaan geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het niet voldoen aan het vestigingsvereiste.