ECLI:NL:CBB:2022:820
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling referentieperiode omzetverlies TVL bij overname deel bedrijfsactiviteiten
Appellant exploiteert sinds 2011 een onderneming en heeft op 1 november 2019 een deel van de bedrijfsactiviteiten van een andere B.V. overgenomen, waaronder een nieuwe vestiging. Het geschil betreft de gehanteerde referentieperiode voor de berekening van het omzetverlies in het kader van de TVL-subsidie voor juni-september 2020.
Verweerder heeft de omzet in het tweede en derde kwartaal van 2019 als referentieperiode gebruikt, exclusief de omzet van de overgenomen vestiging. Appellant betoogt dat de omzet van de overgenomen activiteiten ook had moeten worden meegenomen, stellende dat sprake is van voortzetting van het bedrijf van de overgenomen B.V. en dat anders sprake is van rechtsongelijkheid.
Het College stelt vast dat appellant reeds sinds 2011 is ingeschreven en dat de uitzonderingsregels voor nieuwe ondernemingen niet van toepassing zijn. De opening van een nieuwe vestiging leidt niet tot afwijking van de hoofdregel. Voorts is de overname van een deel van de bedrijfsactiviteiten geen voortzetting van het bedrijf van de andere B.V., aangezien die B.V. is blijven voortbestaan.
Daarmee is de gehanteerde referentieperiode terecht toegepast en is de terugvordering van teveel betaalde subsidie niet onrechtmatig. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de subsidie is terecht vastgesteld zonder afwijking van de referentieperiode.