ECLI:NL:CBB:2022:793
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Pavićević
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen afwijzing subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies
Appellante, een horecaondernemer, verzocht om subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode juni tot en met september 2020. Verweerder stelde het subsidiebedrag vast op nul euro omdat het omzetverlies van appellante in de subsidieperiode ten opzichte van de referentieperiode 2019 slechts 17,3% bedroeg, terwijl het vereiste minimum 30% is.
Appellante voerde aan dat haar omzet gepaard ging met hoge personeelskosten en dat de gehele omzet van 2020 in aanmerking genomen moest worden, niet alleen de referentieperiode. Ook stelde zij dat zij door sluitingen schulden had moeten aangaan en de subsidie niet kon terugbetalen.
Het College oordeelde dat de TVL-regeling geen afwijking van de referentieperiode toestaat en dat de minister terecht de referentieperiode juni tot en met september 2019 hanteerde. De regeling bevat geen hardheidsclausule. De door appellante aangevoerde omstandigheden waren onvoldoende onderbouwd om een uitzondering te rechtvaardigen.
Daarom was het besluit om het subsidiebedrag op nul vast te stellen terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van de subsidie op nul euro wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende omzetverlies.