ECLI:NL:CBB:2022:736

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
1 november 2022
Publicatiedatum
31 oktober 2022
Zaaknummer
22/194
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:3 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bij te laat ingediend bezwaarschrift subsidie TVL MKB COVID-19

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar subsidieaanvraag op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 voor het eerste kwartaal van 2021. Dit bezwaar is echter te laat ingediend, waardoor verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellante stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege een menselijke fout bij haar gemachtigde en een vermeende toezegging van verweerder om de zaak alsnog te behandelen.

Het College oordeelt dat de te late indiening van het bezwaarschrift voor risico van appellante komt en dat de aangevoerde omstandigheden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken. Er is geen bewijs van een toezegging door verweerder om het bezwaar alsnog te behandelen. Verder is appellante terecht niet gehoord, omdat verweerder op grond van de Awb mocht afzien van het horen bij niet-ontvankelijkheid.

Het College komt daarom niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de subsidievordering en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/194

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2022 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: drs. W. de Vries),
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigden: mr. R.E. Groenewold en C. Zieleman LLB).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID19 (TVL) voor de periode januari tot en met maart 2021 (Q1 2021) afgewezen.
Bij besluit van 21 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak op 28 september 2022 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Overwegingen

1. Artikel 6:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt in samenhang met artikel 6:7 van Pro de Awb dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.
2. Tussen partijen is niet in geschil en ook het College stelt vast dat appellante te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. De vraag is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
3. Appellante voert aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat door een menselijke fout van een medewerker van haar gemachtigde het bezwaarschrift te laat is verzonden. Appellante voert verder aan dat verweerder zou hebben toegezegd dat haar zaak zou worden voorgelegd aan de klankbordgroep. Tenslotte voert appellante aan dat zij ten onrechte niet is gehoord.
4. Het College oordeelt dat de door appellante aangevoerde omstandigheden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken. Dat een medewerker van de gemachtigde van appellante, aan wie appellante de indiening van haar bezwaarschrift heeft overgelaten, het bezwaarschrift te laat heeft verzonden, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor risico van appellante komen. Appellante heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zou hebben toegezegd dat haar bezwaar alsnog zou worden behandeld dan wel zou worden voorgelegd aan een klankbordgroep. Uit de door haar overgelegde emailberichten valt dit in elk geval niet af te leiden. Verweerder betwist ook een dergelijke toezegging te hebben gedaan. Verweerder heeft het bezwaar van appellante daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb heeft mogen afzien van het horen van appellante.
5.
Aan een inhoudelijke beoordeling van de stelling van appellante dat zij in aanmerking komt voor subsidie komt het College niet toe. Ten overvloede merkt het College nog wel op dat ter zitting is besproken dat in het e-mailbericht van appellante van 10 februari 2022 een verzoek om herziening van het primaire besluit kan worden gelezen.
6. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2022.
w.g. D. Brugman w.g. I.S. Post