Appellante exploiteert een coffeeshop waar op 10 november 2019 een inspectie door de NVWA plaatsvond. Uit het rapport van bevindingen bleek dat in een als tabaksvrij aangeduide ruimte tabak werd gerookt, terwijl een werknemer aanwezig was die de rokers niet aansprak op het rookverbod. De staatssecretaris legde op basis hiervan een boete op wegens overtreding van artikel 10, eerste lid, onder e, van de Tabaks- en rookwarenwet.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het rapport van de toezichthouder voldoende bewijs leverde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende was, dat de waarnemingen slechts door één toezichthouder waren gedaan en dat het rookverbod niet was overtreden omdat het om tabaksvervangers ging. Ook stelde zij dat zij mocht vertrouwen op handhavingsonzekerheid vanwege eerdere uitlatingen van de overheid.
Het College oordeelde dat het rapport gedetailleerd en zorgvuldig was opgesteld door een bevoegde toezichthouder en dat de waarnemingen juist waren. Het rookverbod gold voor tabaksproducten en was geschonden in een ruimte die als tabaksvrij was aangeduid. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de uitlatingen betrekking hadden op specifiek aangewezen rookruimtes, niet op de onderzochte ruimte. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de boete bevestigd.