ECLI:NL:CBB:2021:790
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling subsidiabele oppervlakte en korting betalingsrechten 2019
Appellante heeft beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte en de uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling over 2019.
Het geschil betrof onder meer de juiste vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van diverse percelen en de toepassing van een korting wegens overdeclaratie. Het College overwoog dat de vaststelling van de subsidiabele hectares leidend is voor de uitbetaling, waarbij de door appellante opgegeven hectares de maximale uitbetaling bepalen. De herziene beslissing op bezwaar over 2015 was niet relevant voor de uitbetaling over 2019.
Ten aanzien van de percelen 30, 39, 54 en 217 oordeelde het College dat de minister terecht heeft vastgesteld dat delen van deze percelen niet subsidiabel zijn vanwege verruiging of onjuiste opgave. De door appellante aangevoerde omstandigheden en foto’s boden onvoldoende grond om dit oordeel te wijzigen.
De opgelegde korting op de uitbetaling was gebaseerd op artikel 19bis van Verordening 640/2014, waarbij het verschil tussen opgegeven en geconstateerde oppervlakte groter was dan toegestaan. Het beroep op het ontbreken van schuld faalde, omdat appellante als professionele landbouwer verantwoordelijk is voor een juiste opgave.
Het College verklaarde de beroepen ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vaststelling van subsidiabele oppervlakte en opgelegde korting voor betalingsrechten 2019 is ongegrond verklaard.