ECLI:NL:CBB:2021:629
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening fosfaatrecht voor stierkalveren niet bestemd voor melkveehouderij
Appellante hield op de peildatum 40 stuks mannelijk jongvee jonger dan één jaar, die zij als melkvee had geregistreerd voor het vaststellen van fosfaatrechten. Verweerder herzag dit besluit en stelde het fosfaatrecht vast op 0 kg, omdat de stierkalveren niet bestemd waren voor de melkveehouderij maar voor rosévleesproductie. Appellante voerde aan dat de herziening onrechtmatig was en dat de registratie op de peildatum leidend moest zijn.
Het College stelde vast dat de bestemming van het dier op de peildatum bepalend is voor het toekennen van fosfaatrechten. Uit de stukken bleek dat de kalveren vrijwel allemaal op jonge leeftijd naar de slacht gingen en dat het bedrijf huisvesting had voor vleeskalveren. Appellante kon niet aannemelijk maken dat de dieren bestemd waren voor melkveehouderij.
Verder oordeelde het College dat verweerder bevoegd was het onjuiste besluit te herzien, ook zonder uitdrukkelijke wettelijke grondslag. De herziening was niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, mede omdat appellante het fosfaatrecht had kunnen terugdraaien na verkoop. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de herziening van het fosfaatrecht werd ongegrond verklaard.