Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2021 op het beroep van:
(gemachtigde: mr. G. Golstein).
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante werd door het tuchtgerecht Kwaliteits-Controle-Bureau (KCB) veroordeeld wegens het verhandelen van peren en appelen met onjuiste land van oorsprong aanduidingen. Inspecties in december 2018 en februari 2019 toonden aan dat peren en appelen als Nederlands waren geëtiketteerd, terwijl zij uit België kwamen.
Appellante betwistte de overtredingen niet, maar voerde aan dat de redelijke termijn tussen constatering en aanhangigmaking van de tuchtzaak was overschreden. Het tuchtgerecht oordeelde dat de termijn niet onredelijk was, mede gelet op de gebruikelijke termijn van zes maanden en een vertraging door ziekte van een inspecteur.
Het College van Beroep bevestigt dit oordeel, hoewel het niet geheel instemt met de uitleg van het begrip redelijke termijn door het tuchtgerecht. Het College stelt dat de termijn uit artikel 6 EVRM Pro niet direct van toepassing is op het aanhangig maken van de tuchtzaak, maar dat de termijn uit het Tuchtrechtbesluit niet is overschreden.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezeggingen zijn gedaan die appellante mochten doen geloven dat de zaak niet aanhangig zou worden gemaakt. De opgelegde geldboete van €3.000,- wordt passend en geboden geacht. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de opgelegde geldboete blijft in stand.