ECLI:NL:CBB:2021:30
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens niet opmaken vervoersbewijzen dierlijke meststoffen als afnemer
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een bestuurlijke boete opgelegd door de minister van Landbouw wegens het niet opmaken van vervoersbewijzen voor dertien vrachten dierlijke meststoffen die op haar mestbassin werden gelost. De boete bedroeg in totaal €3.900.
De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van intern transport binnen het bedrijf van [naam 2] B.V. of dat appellante als afnemer moest worden aangemerkt. Het College concludeerde dat op het moment van het transport de mest nog toebehoorde aan de failliete boedel van [naam 3] V.O.F. en dat appellante geen huurovereenkomst met [naam 2] had voor het mestbassin. Daarom was appellante terecht als afnemer aangemerkt.
Daarnaast wees het College het betoog van appellante over dubbele beboeting af, omdat zij en [naam 2] in verschillende rollen als overtreder waren aangemerkt. Ook het bezwaar dat het verslag van de hoorzitting niet gelijktijdig met het besluit was verzonden, werd verworpen wegens het ontbreken van een wettelijke verplichting en het ontbreken van nadelige gevolgen voor appellante.
Ten slotte oordeelde het College dat de hoogte van de boete passend was en dat het tijdsverloop geen reden gaf tot matiging. De redelijke termijn was niet overschreden omdat de aankondiging van de boete pas op 24 januari 2017 plaatsvond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €3.900 wordt bevestigd.